Abraham Florus de Muijnck

Powered by vir2biz

Persoonsgegevens

VoornaamAbraham Florus
InitialenA.F.
Tussenvoegselde
Achternaamde Muijnck
GeslachtMan
Geboren26-04-1912 in Wissenkerke.
Overleden26-12-1944 in Neuengamme.

Reden arrestatieDistributieambtenaar/lid verzet
Gearresteerd op22-07-1944

 

Neuengamme

Aangekomen op14-10-1944
Vervoermiddeltrein
Vanaf plaatsAmersfoort
Kampnummer56109

Detentiegeschiedenis

Amersfoort, PDA, vanaf 1944-07-31 tot 1944-10-11
Kamperland, School met de Bijbel, vanaf 22-07-1944 tot 24-07-1944
Middelburg, Huis van Bewaring, vanaf 24-07-1944 tot 31-07-1944

Geleden ziektes

Plaats: Hamburg-Neuengamme, Hausdeich 60
Periode: tot 1944-12-26
 In de bewaard gebleven dodenboeken van Neuengamme (de registratie van overleden gevangenen) staan verschillende ziekten waaraan gevangenen zijn gestorven: enteritis, tuberculose, dysenterie, hartfalen, enz. Dat is verhullend. De ware doodsoorzaak zijn vrijwel altijd de abominabele omstandigheden in het kamp geweest. Bovendien zijn de gegevens volledig onbetrouwbaar. Vaak werd er in de registratie maar wat opgeschreven. (Bron: Nederlanders in Neuengamme)

Verblijf in welke kampen

Neuengamme

Ingezonden verhalen over Abraham Florus de Muijnck

Geschreven door J.A. de Muijnck op 08-06-2017

Geschreven door J.A. de Muijnck op 01-04-2016.
Aangevuld met informatie over arrestatie op 06-06-2017

EEN JONG LEVEN VERNIETIGD IN CONCENTRATIEKAMP NEUENGAMME

Op 26 april 1912 werd mijn vader Abraham (Bram) Floris de Muijnck geboren te Kamperland. Hij was een zoon van Jacob Christiaan de Muijnck en Elisabeth de Wolf.
Na de lagere school koos Bram voor het vak metselaar en volgde hiermee het voetspoor van zijn vader Jacob en grootvader Abraham de Muijnck. Hij ging werken bij bouwbedrijf Van Hee, dat gevestigd was in het dorp Kamperland. Ook zijn vader en grootvader werkten daar als metselaar.
In zijn vrije tijd was Bram als secretaris actief in het plaatselijke verenigingsleven van de Gereformeerde Kerk. Ook hield hij daarin spreekbeurten over diverse onderwerpen.
Hij hield van muziek en wilde graag orgel leren spelen. Hij nam les en kocht een harmonium (traporgel) om thuis het orgelspel te kunnen oefenen. Toen hij het orgelspel voldoende geleerd had, bood hij zich aan om orgelles te geven. Ook volgde hij een studie voor koordirigent en slaagde hiervoor op 5 maart 1936.

Hij had nog een andere hobby: het maken van foto’s waarvoor hij een Kodak box camera kocht. De gemaakte foto’s ontwikkelde hij zelf en drukte deze ook af.
Daarnaast volgde hij een schriftelijke cursus voor journalist aan de Arnhemse School voor Schriftelijk Onderwijs. Op 9 juli 1937 behaalde hij hiervoor het diploma met het hoge waarderingscijfer 9.
Met dit diploma was hij van 1940 tot september 1943 plaatselijk correspondent voor de Provinciale Zeeuwse Courant (PZC). Voor deze krant schreef hij verslagen over openbare bijeenkomsten van plaatselijke verenigingen en andere belangrijke zaken die op zijn dorp plaatsvonden.

Via het verenigingsleven ontmoette hij Pieternella (Pie) Margaretha de Nooijer.
Op 17 augustus 1938 trouwde hij met haar. Zij gingen wonen aan de Molenweg B248c (nu nr.11) te Kamperland. Deze woning was voor hen gebouwd door zijn werkgever bouwbedrijf Van Hee.
Zij kregen 2 kinderen. Op 30 juni 1939 werd Jacob Christiaan geboren. Hij is overleden op 9 augustus 2006.
Op 6 januari 1943 werd Jan Adriaan geboren (samensteller van dit overzicht).

Tot april 1944 was hij als metselaar/timmerman werkzaam bij bouwbedrijf Van Hee.
Op 12 april 1944 las hij in dagblad ‘De Zeeuw’ een oproep voor sollicitanten naar de functie van ‘Kassier Waardemateriaal’ bij de gemeente Wissenkerke (nu gemeente Noord-Beveland). Omdat hij zich wilde verbeteren, solliciteerde hij naar deze functie. En met succes.
Op 25 april 1944 (de volgende dag werd hij 32 jaar) begon hij met zijn werkzaamheden als distributieambtenaar op het distributiekantoor te Geersdijk.

Uit verschillende documenten blijkt dat mijn vader betrokken was bij het verzet. Zijn naam staat ook vermeld als verzetsdeelnemer in de Erelijst der Gevallenen 1940-1945.
Als journalist kende hij het stenoschrift en kon hij goed typen. In zijn nieuwe functie had hij de mogelijkheden om berichten die hij via Radio Oranje opving, uit te typen en op een stencilmachine te kunnen kopiëren voor verdere verspreiding. Deze berichten gaf hij zowel mondeling als schriftelijk door aan het personeel van het distributiekantoor, personeel van zijn vorige werkgever Van Hee en onder familie en bekenden.


Ook had hij de mogelijkheid om distributiebonnen en stamkaarten te verzamelen voor onderduikers. Op Noord-Beveland zaten medio 1944 ongeveer zestig personen ondergedoken.
Bij bouwbedrijf Van Hee had vader een collega van wie zijn vouw en dochter werkzaam waren op het kantoor van de Duitse Sicherheitspolizei (SIPO) op Kamperland. Zij zorgden daar voor de huishouding en voor de dagelijkse maaltijden van het SIPO-personeel. Beiden hadden vergaande contacten met het personeel van dit kantoor. Ook het personeel van het distributiekantoor was voor het overgrote deel Duitsgezind. Na de oorlog onderging het personeel van de Gemeente Wissenkerke, waaronder het distributiepersoneel, hiervoor een grondige zuivering.

Op zaterdagmorgen 22 juli 1944 is vader gearresteerd.
Op 20 mei 2017 vertelde ooggetuige Mevrouw Boerhout-Koole het volgende:
“Ik was een meisje van 9 jaar oud en samen met mijn vriendin in de woning aan de Molenweg 2, de woning die schuin tegenover de woning van je vader staat. Deze woning was gevorderd door de SIPO. In de woning was ook een ‘moffenmeid’ aanwezig. De betekenis van ‘moffenmeid’ begreep ik pas veel later, toen ik hoorde vertellen dat deze vrouwen en meisjes tijdens de bezetting een relatie hadden aangeknoopt met een Duitse soldaat
Op die zaterdagmorgen zag ik je vader naar huis fietsen. Achterop zijn fiets zat zijn zoon Jaap en in zijn linkerhand had hij een emmertje. Aangekomen bij zijn woning, zag hij Duitse soldaten. Hij stopte, keek vertwijfeld en is doorgefietst naar het huis van zijn schoonouders, dat een eindje verderop aan de Noordstraat staat.
Mij viel op dat de ‘moffenmeid’ (21 jaar) voor het raam stond en naar de Duitse soldaten riep: “Ik weet zeker dat hij er een heeft, ik weet het zeker dat hij een radio heeft”. Dat zij dit zo overtuigend en grijnzend naar de soldaten riep kan een teken zijn dat zij op de hoogte was van zijn arrestatie. Deze meid had ook twee vriendinnen (20 jaar en 21 jaar) die ook vergaande contacten hadden met de soldaten van de SIPO. Zij waren op dat moment niet bij haar.
(De namen van deze drie moffenmeiden zijn om reden van privacy niet vermeld.)

Ooggetuige Cees Versluis (12 jaar) vertelde het volgende:
“Ik woonde aan de Noordstraat naast de familie Nooijer, de schoonfamilie van Bram de Muijnck. Hij was daar in de schuur bezig. Op een gegeven moment komt mijn moeder de keukendeur uit en roept door de heg dat er drie Duitsers voor zijn huis in de Molenweg staan. Ze waarschuwt Bram om niet naar huis te gaan. Hij loopt aarzelend de poort door naar de weg en blijft om de hoek van ons huis enkele minuten staan. Daarna loopt hij zonder dralen toch naar zijn huis aan de Molenweg. Even later wordt hij onder begeleiding meegenomen in de richting van de Achterweg.
Achteraf kregen wij te horen dat hij zijn radio niet had ingeleverd en naar de Engelse zender luisterde, zoals dat toen heette. Maar dat waren er meer! Ik wist het bijvoorbeeld zeker van de tegenover ons wonende smid Willem Leenpoel en van mijn oom Piet Versluis. Later hoorden we van zijn vrouw dat hij naar Amersfoort was getransporteerd.”
Vermoedelijk is mijn vader naar huis gegaan om zijn verantwoordelijkheid te nemen en is in zijn aanwezigheid de woning grondig doorzocht.

Het doorzoeken van de woning werd gedaan door twee personen van de SIPO, daarbij vonden zij de radio. Na het vinden van de radio werd de woning nogmaals nauwgezet doorzocht. Met zijn werk op het distributiekantoor kan het ook zijn dat zij naar distributiebescheiden in zijn huis zochten.
Of deze zoektocht nog iets heeft opgeleverd, wat kon onderbouwen waarvan vader nog meer verdacht werd, is niet bekend.

In een formulier van het Rode kruis ‘Verzoek om inlichtingen’ d.d. 20-01-1947 schrijft moeder onder reden arrestatie: Verdacht van geheime zender en na een huiszoeking het vinden van een radio enz.

Na het lezen van de reden van de arrestatie van mijn vader herinnerde ik mij dat ik omstreeks 1950 in de welput achter onze woning radiolampen zag drijven. De radiolampen heb ik opgevist uit de welput en gevraagd hoe die daarin zijn gekomen. Mij werd toen verteld dat deze radiolampen, in de oorlog in een verzwaard jute zakje, in de welput waren gegooid. Dit was gedaan om te voorkomen dat Duitse soldaten de radiolampen zouden vinden. Waarschijnlijk lag materiaal voor het samenstellen van een zender in het schuurtje bij zijn schoonouders.
Uit het ooggetuigenverslag van mevrouw Boerhout-Koole zal een van de drie ’moffenmeiden’ aan de SIPO verraden hebben dat vader een radio had en zal de huiszoeking bij hem hier een gevolg van geweest zijn.

De arrestatie van vader op 22 juli 1944 verliep bij wijze van uitzondering zonder geweld. Hij is meegenomen voor verhoor naar het kantoor van de SIPO, dat gevestigd was in een woning aan de A. van Heestraat 28 te Kamperland. Daarna werd hij overgebracht naar de plaatselijke lagere school, de “School met de Bijbel”. Hier werd hij in het kamertje aan het eind van de gang gevangen gezet. Dit kamertje had een buitendeur met bovenraam en kwam je in de tuin van de woning van de hoofdonderwijzer de heer Tange. De heer Tange had nog een sleutel van die deur en bood aan om die voor hem te openen, zodat hij kon ontsnappen.
Beiden zouden dan onderduiken. Hiervan maakte vader echter geen gebruik, om represaille door de Duitsers op zijn familie of andere dorpsgenoten te voorkomen.
De zoon van de heer Tange vertelde dat vader door het openstaande raam, boven de deur van het kamertje waar hij gevangen zat, briefjes naar buiten gooide. De briefjes raapte hij op en bracht die samen met zijn vader naar de schoonouders van mijn vader, die aan de Noordstraat woonden.

Op 24 juli 1944 werd vader overgebracht naar het Huis van Bewaring aan de Kousteensedijk te Middelburg. Daar werd hij om 11.30 uur onder nummer 369 in het gevangenisregister ingeschreven.

Op zoek naar informatie over vader plaatste moeder advertenties in dagbladen. Hierop reageerden medegevangenen van vader met brieven. Hierin schreven zij, dat hij werd gevangen gezet op zaal 11 in het Huis van Bewaring te Middelburg. Hij had hun verteld ruimschoots de mogelijkheid heeft gehad om uit de school te vluchten, waar hij een weekeind gevangen had gezeten. Ook had hij verteld als een rots in de branding te staan, vast in het geloof waarin hij zijn opvoeding had genoten. Hij had gezegd geen vrees te hebben dat hij een misdrijf gepleegd had en in zijn lot berustte. Wel zou hij graag afrekenen met diegene die hem verraden had.
De tijd die ze daar met elkaar samen geweest waren vertelde hij ook over zijn dierbare vrouw en lieve kinderen en leefde hij in het volste vertrouwen hen spoedig weer te zien.

Een andere schreef; dat hij op de avond van 30 juli 1944 om 20.00 uur bij de boekhouder gebracht werd om daar zijn afgenomen spullen weer in ontvangst te nemen. Daar werd hem meegedeeld dat hij de volgende dag “wegging”. Vader dacht dat hij naar huis mocht, maar bij het naar bed gaan kreeg hij de waarschuwing; “Morgenochtend vroeg opstaan voor vertrek met de eerste trein naar onbekende bestemming”. Dit moest een bittere teleurstelling voor hem geweest zijn.

Op maandag 31 juli 1944 ’s morgens om 06.00 uur werd vader, onder geleide van de heer J. Meijer rechercheur van politie te Middelburg, met de trein overgebracht naar Kamp Amersfoort. Met dit transport werd ook Jan de Visser uit Vrouwenpolder meegenomen. Hij was op 26 juli 1944 gearresteerd in verband met verzetsactiviteiten. Met een huiszoeking werd bij hem ook een radio gevonden. De Visser werd ook gevangen gezet in het Huis van Bewaring te Middelburg, waar ook vader gevangen zat.
Het bijzondere van dit transport was dat de vrouw van Jan de Visser, Marie Wondergem, hen mocht vergezellen tot aan station Rilland-Bath. Daar aangekomen gaf de heer Meijer het advies om hun persoonlijke spullen aan haar mee terug te geven. Waarschijnlijk moesten die ingeleverd worden en zouden dan verloren kunnen gaan. In de trein op het station Rilland-Bath nam zij afscheid van haar man en mijn vader.
De vrouw van Jan de Visser nam de trouwring, horloge, vulpen etc. van vader mee terug en bracht deze bescheiden naar moeder. Tot de dood hen scheidde, bleven ze met elkaar in contact en noemden wij haar tante Marie. Door het lot van hun mannen bleven zij met elkaar verbonden.
In Kamp Amersfoort werd vader ingeschreven onder nummer 3970 en Jan de Visser onder nummer 3971.

Na de oorlog werden kleren van vader teruggestuurd naar zijn woonadres. Bijzonder was dat er kantinegeld uit Kamp Amersfoort in zijn zakken was achtergebleven. Wij hebben dat altijd zorgvuldig bewaart.

Volgens brieven van medegevangenen uit kamp Amersfoort, die moeder na haar oproep ontving, kon vader zich in Kamp Amersfoort goed aanpassen en zou hij bij zijn vertrek uit Amersfoort nog goed gezond geweest zijn. In het kamp was hij aangesteld als ‘Nachtwacht’. De juiste omschrijving van Nachtwacht heb ik nog niet kunnen achterhalen. Vermoedelijk heeft hij daar voedsel kunnen vinden om zijn lichaam op krachten te kunnen houden.

Op 11 oktober 1944 werd vader gedeporteerd naar concentratiekamp Neuengamme in Duitsland, met nog ruim 1400 anderen, waaronder ook Jan de Visser en de groep Puttenaren.
De groep gevangenen ging lopend op weg naar het station in Amersfoort. Op het Vondelplein is nog een foto van de groep gemaakt. De kleine man met pet tweede van links in de rij achter de soldaten is mijn vader Bram de Muijnck.

Na een reis die drie dagen duurde, kwam de groep op 14 oktober 1944 aan in het concentratiekamp Neuengamme bij Hamburg. Mijn vader werd daar ingeschreven onder nummer 56109.

Veel van de gevangenen werden overgeplaatst naar een van de ruim 80 buitenkampen van Neuengamme, waaronder Husum, Ladelund, Wöbbelin etc. Of ook mijn vader in een van de buitenkampen tewerkgesteld is, is in de nog aanwezige documenten niet te achterhalen. Zieken werden uiteindelijk teruggebracht naar het hoofdkamp Neuengamme. Volgens het dodenboek overleed mijn vader daar op 26 december 1944 om 02.00 uur ‘s nachts in de ziekenbarak. Als oorzaak van overlijden werd ‘enterocolitis’ aangegeven, een vorm van darmontsteking. De gegevens van zijn overlijden en doodsoorzaak zijn onbetrouwbaar. Hoewel de omstandigheden in het kamp onmenselijk waren, zal hij waarschijnlijk in een bed zijn overleden, omringd door de zorg van medegevangenen. Zijn lichaam werd gecremeerd. Een dag na vader overleed ook Jan de Visser in de ziekenbarak.

Over de arrestatie en het overlijden van mijn vader werd door moeder en overige familie weinig verteld. Wat ik van hen hoorde was: ‘Je vader had zijn radio niet ingeleverd en is deze bij huiszoeking gevonden. Daarvoor is hij gearresteerd. Door zijn slechte gezondheid en omdat hij hard moest werken in het concentratiekamp is hij overleden’. Zelfs de datum van zijn overlijden was mij niet bekend.

In 2002 kon ik vervroegd stoppen met mijn werk. Nu ik vrije tijd had ben ik op zoek gegaan naar meer informatie over mijn vader. Daarvoor heb ik me ook aangesloten bij de Stichting Vriendenkring Neuengamme. In 2006 heb ik voor het eerst, met een herdenkingsreis van deze Stichting, de Gedenkstätte KZ-Neuengamme bezocht. Tijdens dit bezoek kreeg ik van de archivaris informatie over mijn vader die tot dan voor mij nog volkomen onbekend was.
Op mijn verzoek heb ik ook uitgebreide informatie ontvangen uit de archieven van het Rode Kruis, Stichting 1940-1945, Archief Eemland en ITS in Bad Arolsen. Met al deze informatie heb ik een vrij goed beeld gekregen waarom mijn vader is gearresteerd, hoe zijn arrestatie is verlopen en hoe zijn leven is geëindigd in concentratiekamp Neuengamme.

Op 2 november 2014 −70 jaar na de bevrijding van Kamperland− is een monument onthuld voor de elf burgerslachtoffers WOII van Kamperland.
Na 70 jaar is de naam van mijn vader weer zichtbaar terug op Kamperland. De tekst op de gedenkplaat met de namen van slachtoffers is: “Opdat wij niet vergeten”.

Verhaal door J.A. de Muijnck - 27-03-2018

Geschreven door J.A. de Muijnck op 01-04-2016.
Aangevuld met informatie over arrestatie op 06-06-2017

EEN JONG LEVEN VERNIETIGD IN CONCENTRATIEKAMP NEUENGAMME

Op 26 april 1912 werd mijn vader Abraham (Bram) Floris de Muijnck geboren te Kamperland. Hij was een zoon van Jacob Christiaan de Muijnck en Elisabeth de Wolf.
Na de lagere school koos Bram voor het vak metselaar en volgde hiermee het voetspoor van zijn vader Jacob en grootvader Abraham de Muijnck. Hij ging werken bij bouwbedrijf Van Hee, dat gevestigd was in het dorp Kamperland. Ook zijn vader en grootvader werkten daar als metselaar.
In zijn vrije tijd was Bram als secretaris actief in het plaatselijke verenigingsleven van de Gereformeerde Kerk. Ook hield hij daarin spreekbeurten over diverse onderwerpen.
Hij hield van muziek en wilde graag orgel leren spelen. Hij nam les en kocht een harmonium (traporgel) om thuis het orgelspel te kunnen oefenen. Toen hij het orgelspel voldoende geleerd had, bood hij zich aan om orgelles te geven. Ook volgde hij een studie voor koordirigent en slaagde hiervoor op 5 maart 1936.

Hij had nog een andere hobby: het maken van foto’s waarvoor hij een Kodak box camera kocht. De gemaakte foto’s ontwikkelde hij zelf en drukte deze ook af.
Daarnaast volgde hij een schriftelijke cursus voor journalist aan de Arnhemse School voor Schriftelijk Onderwijs. Op 9 juli 1937 behaalde hij hiervoor het diploma met het hoge waarderingscijfer 9.
Met dit diploma was hij van 1940 tot september 1943 plaatselijk correspondent voor de Provinciale Zeeuwse Courant (PZC). Voor deze krant schreef hij verslagen over openbare bijeenkomsten van plaatselijke verenigingen en andere belangrijke zaken die op zijn dorp plaatsvonden.

Via het verenigingsleven ontmoette hij Pieternella (Pie) Margaretha de Nooijer.
Op 17 augustus 1938 trouwde hij met haar. Zij gingen wonen aan de Molenweg B248c (nu nr.11) te Kamperland. Deze woning was voor hen gebouwd door zijn werkgever bouwbedrijf Van Hee.
Zij kregen 2 kinderen. Op 30 juni 1939 werd Jacob Christiaan geboren. Hij is overleden op 9 augustus 2006.
Op 6 januari 1943 werd Jan Adriaan geboren (samensteller van dit overzicht).

Tot april 1944 was hij als metselaar/timmerman werkzaam bij bouwbedrijf Van Hee.
Op 12 april 1944 las hij in dagblad ‘De Zeeuw’ een oproep voor sollicitanten naar de functie van ‘Kassier Waardemateriaal’ bij de gemeente Wissenkerke (nu gemeente Noord-Beveland). Omdat hij zich wilde verbeteren, solliciteerde hij naar deze functie. En met succes.
Op 25 april 1944 (de volgende dag werd hij 32 jaar) begon hij met zijn werkzaamheden als distributieambtenaar op het distributiekantoor te Geersdijk.

Uit verschillende documenten blijkt dat mijn vader betrokken was bij het verzet. Zijn naam staat ook vermeld als verzetsdeelnemer in de Erelijst der Gevallenen 1940-1945.
Als journalist kende hij het stenoschrift en kon hij goed typen. In zijn nieuwe functie had hij de mogelijkheden om berichten die hij via Radio Oranje opving, uit te typen en op een stencilmachine te kunnen kopiëren voor verdere verspreiding. Deze berichten gaf hij zowel mondeling als schriftelijk door aan het personeel van het distributiekantoor, personeel van zijn vorige werkgever Van Hee en onder familie en bekenden.


Ook had hij de mogelijkheid om distributiebonnen en stamkaarten te verzamelen voor onderduikers. Op Noord-Beveland zaten medio 1944 ongeveer zestig personen ondergedoken.
Bij bouwbedrijf Van Hee had vader een collega van wie zijn vouw en dochter werkzaam waren op het kantoor van de Duitse Sicherheitspolizei (SIPO) op Kamperland. Zij zorgden daar voor de huishouding en voor de dagelijkse maaltijden van het SIPO-personeel. Beiden hadden vergaande contacten met het personeel van dit kantoor. Ook het personeel van het distributiekantoor was voor het overgrote deel Duitsgezind. Na de oorlog onderging het personeel van de Gemeente Wissenkerke, waaronder het distributiepersoneel, hiervoor een grondige zuivering.

Op zaterdagmorgen 22 juli 1944 is vader gearresteerd.
Op 20 mei 2017 vertelde ooggetuige Mevrouw Boerhout-Koole het volgende:
“Ik was een meisje van 9 jaar oud en samen met mijn vriendin in de woning aan de Molenweg 2, de woning die schuin tegenover de woning van je vader staat. Deze woning was gevorderd door de SIPO. In de woning was ook een ‘moffenmeid’ aanwezig. De betekenis van ‘moffenmeid’ begreep ik pas veel later, toen ik hoorde vertellen dat deze vrouwen en meisjes tijdens de bezetting een relatie hadden aangeknoopt met een Duitse soldaat
Op die zaterdagmorgen zag ik je vader naar huis fietsen. Achterop zijn fiets zat zijn zoon Jaap en in zijn linkerhand had hij een emmertje. Aangekomen bij zijn woning, zag hij Duitse soldaten. Hij stopte, keek vertwijfeld en is doorgefietst naar het huis van zijn schoonouders, dat een eindje verderop aan de Noordstraat staat.
Mij viel op dat de ‘moffenmeid’ (21 jaar) voor het raam stond en naar de Duitse soldaten riep: “Ik weet zeker dat hij er een heeft, ik weet het zeker dat hij een radio heeft”. Dat zij dit zo overtuigend en grijnzend naar de soldaten riep kan een teken zijn dat zij op de hoogte was van zijn arrestatie. Deze meid had ook twee vriendinnen (20 jaar en 21 jaar) die ook vergaande contacten hadden met de soldaten van de SIPO. Zij waren op dat moment niet bij haar.
(De namen van deze drie moffenmeiden zijn om reden van privacy niet vermeld.)

Ooggetuige Cees Versluis (12 jaar) vertelde het volgende:
“Ik woonde aan de Noordstraat naast de familie Nooijer, de schoonfamilie van Bram de Muijnck. Hij was daar in de schuur bezig. Op een gegeven moment komt mijn moeder de keukendeur uit en roept door de heg dat er drie Duitsers voor zijn huis in de Molenweg staan. Ze waarschuwt Bram om niet naar huis te gaan. Hij loopt aarzelend de poort door naar de weg en blijft om de hoek van ons huis enkele minuten staan. Daarna loopt hij zonder dralen toch naar zijn huis aan de Molenweg. Even later wordt hij onder begeleiding meegenomen in de richting van de Achterweg.
Achteraf kregen wij te horen dat hij zijn radio niet had ingeleverd en naar de Engelse zender luisterde, zoals dat toen heette. Maar dat waren er meer! Ik wist het bijvoorbeeld zeker van de tegenover ons wonende smid Willem Leenpoel en van mijn oom Piet Versluis. Later hoorden we van zijn vrouw dat hij naar Amersfoort was getransporteerd.”
Vermoedelijk is mijn vader naar huis gegaan om zijn verantwoordelijkheid te nemen en is in zijn aanwezigheid de woning grondig doorzocht.

Het doorzoeken van de woning werd gedaan door twee personen van de SIPO, daarbij vonden zij de radio. Na het vinden van de radio werd de woning nogmaals nauwgezet doorzocht. Met zijn werk op het distributiekantoor kan het ook zijn dat zij naar distributiebescheiden in zijn huis zochten.
Of deze zoektocht nog iets heeft opgeleverd, wat kon onderbouwen waarvan vader nog meer verdacht werd, is niet bekend.

In een formulier van het Rode kruis ‘Verzoek om inlichtingen’ d.d. 20-01-1947 schrijft moeder onder reden arrestatie: Verdacht van geheime zender en na een huiszoeking het vinden van een radio enz.

Na het lezen van de reden van de arrestatie van mijn vader herinnerde ik mij dat ik omstreeks 1950 in de welput achter onze woning radiolampen zag drijven. De radiolampen heb ik opgevist uit de welput en gevraagd hoe die daarin zijn gekomen. Mij werd toen verteld dat deze radiolampen, in de oorlog in een verzwaard jute zakje, in de welput waren gegooid. Dit was gedaan om te voorkomen dat Duitse soldaten de radiolampen zouden vinden. Waarschijnlijk lag materiaal voor het samenstellen van een zender in het schuurtje bij zijn schoonouders.
Uit het ooggetuigenverslag van mevrouw Boerhout-Koole zal een van de drie ’moffenmeiden’ aan de SIPO verraden hebben dat vader een radio had en zal de huiszoeking bij hem hier een gevolg van geweest zijn.

De arrestatie van vader op 22 juli 1944 verliep bij wijze van uitzondering zonder geweld. Hij is meegenomen voor verhoor naar het kantoor van de SIPO, dat gevestigd was in een woning aan de A. van Heestraat 28 te Kamperland. Daarna werd hij overgebracht naar de plaatselijke lagere school, de “School met de Bijbel”. Hier werd hij in het kamertje aan het eind van de gang gevangen gezet. Dit kamertje had een buitendeur met bovenraam en kwam je in de tuin van de woning van de hoofdonderwijzer de heer Tange. De heer Tange had nog een sleutel van die deur en bood aan om die voor hem te openen, zodat hij kon ontsnappen.
Beiden zouden dan onderduiken. Hiervan maakte vader echter geen gebruik, om represaille door de Duitsers op zijn familie of andere dorpsgenoten te voorkomen.
De zoon van de heer Tange vertelde dat vader door het openstaande raam, boven de deur van het kamertje waar hij gevangen zat, briefjes naar buiten gooide. De briefjes raapte hij op en bracht die samen met zijn vader naar de schoonouders van mijn vader, die aan de Noordstraat woonden.

Op 24 juli 1944 werd vader overgebracht naar het Huis van Bewaring aan de Kousteensedijk te Middelburg. Daar werd hij om 11.30 uur onder nummer 369 in het gevangenisregister ingeschreven.

Op zoek naar informatie over vader plaatste moeder advertenties in dagbladen. Hierop reageerden medegevangenen van vader met brieven. Hierin schreven zij, dat hij werd gevangen gezet op zaal 11 in het Huis van Bewaring te Middelburg. Hij had hun verteld ruimschoots de mogelijkheid heeft gehad om uit de school te vluchten, waar hij een weekeind gevangen had gezeten. Ook had hij verteld als een rots in de branding te staan, vast in het geloof waarin hij zijn opvoeding had genoten. Hij had gezegd geen vrees te hebben dat hij een misdrijf gepleegd had en in zijn lot berustte. Wel zou hij graag afrekenen met diegene die hem verraden had.
De tijd die ze daar met elkaar samen geweest waren vertelde hij ook over zijn dierbare vrouw en lieve kinderen en leefde hij in het volste vertrouwen hen spoedig weer te zien.

Een andere schreef; dat hij op de avond van 30 juli 1944 om 20.00 uur bij de boekhouder gebracht werd om daar zijn afgenomen spullen weer in ontvangst te nemen. Daar werd hem meegedeeld dat hij de volgende dag “wegging”. Vader dacht dat hij naar huis mocht, maar bij het naar bed gaan kreeg hij de waarschuwing; “Morgenochtend vroeg opstaan voor vertrek met de eerste trein naar onbekende bestemming”. Dit moest een bittere teleurstelling voor hem geweest zijn.

Op maandag 31 juli 1944 ’s morgens om 06.00 uur werd vader, onder geleide van de heer J. Meijer rechercheur van politie te Middelburg, met de trein overgebracht naar Kamp Amersfoort. Met dit transport werd ook Jan de Visser uit Vrouwenpolder meegenomen. Hij was op 26 juli 1944 gearresteerd in verband met verzetsactiviteiten. Met een huiszoeking werd bij hem ook een radio gevonden. De Visser werd ook gevangen gezet in het Huis van Bewaring te Middelburg, waar ook vader gevangen zat.
Het bijzondere van dit transport was dat de vrouw van Jan de Visser, Marie Wondergem, hen mocht vergezellen tot aan station Rilland-Bath. Daar aangekomen gaf de heer Meijer het advies om hun persoonlijke spullen aan haar mee terug te geven. Waarschijnlijk moesten die ingeleverd worden en zouden dan verloren kunnen gaan. In de trein op het station Rilland-Bath nam zij afscheid van haar man en mijn vader.
De vrouw van Jan de Visser nam de trouwring, horloge, vulpen etc. van vader mee terug en bracht deze bescheiden naar moeder. Tot de dood hen scheidde, bleven ze met elkaar in contact en noemden wij haar tante Marie. Door het lot van hun mannen bleven zij met elkaar verbonden.
In Kamp Amersfoort werd vader ingeschreven onder nummer 3970 en Jan de Visser onder nummer 3971.

Na de oorlog werden kleren van vader teruggestuurd naar zijn woonadres. Bijzonder was dat er kantinegeld uit Kamp Amersfoort in zijn zakken was achtergebleven. Wij hebben dat altijd zorgvuldig bewaart.

Volgens brieven van medegevangenen uit kamp Amersfoort, die moeder na haar oproep ontving, kon vader zich in Kamp Amersfoort goed aanpassen en zou hij bij zijn vertrek uit Amersfoort nog goed gezond geweest zijn. In het kamp was hij aangesteld als ‘Nachtwacht’. De juiste omschrijving van Nachtwacht heb ik nog niet kunnen achterhalen. Vermoedelijk heeft hij daar voedsel kunnen vinden om zijn lichaam op krachten te kunnen houden.

Op 11 oktober 1944 werd vader gedeporteerd naar concentratiekamp Neuengamme in Duitsland, met nog ruim 1400 anderen, waaronder ook Jan de Visser en de groep Puttenaren.
De groep gevangenen ging lopend op weg naar het station in Amersfoort. Op het Vondelplein is nog een foto van de groep gemaakt. De kleine man met pet tweede van links in de rij achter de soldaten is mijn vader Bram de Muijnck.

Na een reis die drie dagen duurde, kwam de groep op 14 oktober 1944 aan in het concentratiekamp Neuengamme bij Hamburg. Mijn vader werd daar ingeschreven onder nummer 56109.

Veel van de gevangenen werden overgeplaatst naar een van de ruim 80 buitenkampen van Neuengamme, waaronder Husum, Ladelund, Wöbbelin etc. Of ook mijn vader in een van de buitenkampen tewerkgesteld is, is in de nog aanwezige documenten niet te achterhalen. Zieken werden uiteindelijk teruggebracht naar het hoofdkamp Neuengamme. Volgens het dodenboek overleed mijn vader daar op 26 december 1944 om 02.00 uur ‘s nachts in de ziekenbarak. Als oorzaak van overlijden werd ‘enterocolitis’ aangegeven, een vorm van darmontsteking. De gegevens van zijn overlijden en doodsoorzaak zijn onbetrouwbaar. Hoewel de omstandigheden in het kamp onmenselijk waren, zal hij waarschijnlijk in een bed zijn overleden, omringd door de zorg van medegevangenen. Zijn lichaam werd gecremeerd. Een dag na vader overleed ook Jan de Visser in de ziekenbarak.

Over de arrestatie en het overlijden van mijn vader werd door moeder en overige familie weinig verteld. Wat ik van hen hoorde was: ‘Je vader had zijn radio niet ingeleverd en is deze bij huiszoeking gevonden. Daarvoor is hij gearresteerd. Door zijn slechte gezondheid en omdat hij hard moest werken in het concentratiekamp is hij overleden’. Zelfs de datum van zijn overlijden was mij niet bekend.

In 2002 kon ik vervroegd stoppen met mijn werk. Nu ik vrije tijd had ben ik op zoek gegaan naar meer informatie over mijn vader. Daarvoor heb ik me ook aangesloten bij de Stichting Vriendenkring Neuengamme. In 2006 heb ik voor het eerst, met een herdenkingsreis van deze Stichting, de Gedenkstätte KZ-Neuengamme bezocht. Tijdens dit bezoek kreeg ik van de archivaris informatie over mijn vader die tot dan voor mij nog volkomen onbekend was.
Op mijn verzoek heb ik ook uitgebreide informatie ontvangen uit de archieven van het Rode Kruis, Stichting 1940-1945, Archief Eemland en ITS in Bad Arolsen. Met al deze informatie heb ik een vrij goed beeld gekregen waarom mijn vader is gearresteerd, hoe zijn arrestatie is verlopen en hoe zijn leven is geëindigd in concentratiekamp Neuengamme.

Op 2 november 2014 −70 jaar na de bevrijding van Kamperland− is een monument onthuld voor de elf burgerslachtoffers WOII van Kamperland.
Na 70 jaar is de naam van mijn vader weer zichtbaar terug op Kamperland. De tekst op de gedenkplaat met de namen van slachtoffers is: “Opdat wij niet vergeten”.

Bron: Oorlogsgravenstichting

Verhaal insturen

U dient ingelogd te zijn om een verhaal in te sturen.

Inloggen

Foto insturen

U dient ingelogd te zijn om een foto in te sturen.

Inloggen

Wijzigingen doorgeven

U dient ingelogd te zijn om een wijziging/opmerking te versturen.

Inloggen