Geschreven door Rob Hermsen op 25-07-2026
Gerrit Erdkamp
Gerhardus Antonius Erdkamp, geboren 29 december 1915 te Elst (OB), was zoon van Johan Theodoor Erdkamp en Marie Antoinette Hoefnagels. In 1938 heeft Johan de boerderij de Santacker aangekocht en verder uitgebouwd tot een bloeiend agrarisch bedrijf. Alhoewel Gerrit andere ideeën had over de bedrijfsvoering en regelmatig heftige discussies plaatsvonden met zijn vader, lag het in de lijn der verwachtingen dat hij het bedrijf zou voortzetten.
Tijdens de oorlogsjaren neemt Gerrit deel aan verzetswerk en was hij aangesloten bij de verzetsgroep Elst.
Onderstaand geef ik een overzicht van de periode kort voor en na zijn arrestatie door de Sicherheitsdienst (SD). Ik heb citaten uit de processen-verbaal (PV-en) genomen, die nog in de oude spelling zijn opgesteld.
Verzetsgroep Elst
De verzetsgroep Elst stond onder leiding van Hendrik Broens, initiatiefnemer en commandant van de groep. In die tijd was hij aangesteld bij de spoorwegpolitie, maar ondergedoken. Ondanks het feit dat de SD naar hem op zoek was en de dienst zijn vrouw had opgepakt, in de verwachting dat hij zich dan vrijwillig zou melden, wist hij zich aan zijn arrestatie te onttrekken.
In Arnhem en Overbetuwe waren verschillende verzetsgroepen, in goede onderlinge samenwerking, actief. In Elst werden eveneens verzetsactiviteiten uitgevoerd die onder meer waren gericht op de verzorging en het uitplaatsen van onderduikers. Voorts verstrekte het verzet levensmiddelen, distributiebonnen, persoonsbewijzen, kleding en schoeisel. Daarnaast was het verzet betrokken bij wapendroppings en het begeleiden van geallieerde soldaten die via clandestiene wegen Nederland konden ontvluchten.
De groep was niet strak georganiseerd. Bijvoorbeeld iemand van de groep kent een onderduiker en bezorgde hem of haar voedselbonnen of een persoonsbewijs. Deze bescheiden had hij van een ander lid van de groep gekregen, die in het gemeentehuis of in het distributiekantoor werkzaam was. De leden maakten bijvoorbeeld gebruik van de reguliere postbezorging. Zij hadden contact met elkaar in het bijzijn van andere niet-leden. Voor zover bekend is, waren de volgende personen bij de verzetsactiviteiten van de groep Elst betrokken geweest (alfabetisch):
J.W. Broens, chef veldwachter Elst, ondergedoken en werkzaam als rechercheur spoorwegpolitie te Utrecht;
G.A. Erdkamp, landbouwer Elst;
H. Geerlings, ambtenaar ter secretarie Elst;
Truus Gelsing, distributieambtenaar Lent/Elst;
P. van Hall, distributieambtenaar Gendt;
G. A. Hoes, ambtenaar ter secretarie Elst;
W. Hoogakker, opzichter technische dienst Elst;
P. Kammeraat, gemeentesecretaris Elst;
H.G. Kuiper, marechaussee;
C.G. Peters, distributieambtenaar Elst;
H. Peters, inwoner Elst;
C. Sloot, kapelaan Elst;
Th. Treffers, distributieambtenaar Elst;
P. Wannet, Rijkspolitie Elst;
D. Wiesebron, personeelschef Taminiau Elst.
De heer J. Haverkamp, directeur van het Distributiekantoor Druten en woonachtig in Lent, was weliswaar geen lid van de verzetsgroep Elst, maar werd door zijn zijdelingse betrokkenheid wel deel van de arrestatiegolf van oktober 1943. Na de oorlog was hij als één van de weinige overlevenden teruggekeerd. Deze golf begint met de arrestatie van Gerrit Hoes.
In het contactorgaan van de Koninklijke Marechaussee geeft Henk G. Westland (luitenant-kolonel b.d.) aan de hand van een onderzoek een beeld van de tragische afloop van de verzetsgroep Elst.
Aanhouding Hoes
Op een dag, in de zomer van 1943, werd bij een controle op de brug bij Arnhem in de fietstas van Gerrit Hoes een hoeveelheid voedselbonnen aangetroffen. Aanvankelijk lijkt het erop, dat Hoes geverbaliseerd zal worden voor een economisch delict. Hoes had geen sluitende verklaring voor de aanwezige voedselbonnen, hetgeen aanleiding was een nader onderzoek in te stellen. De Commissaris van Politie van Arnhem, Zoll, was van de zaak op de hoogte en informeerde de Rijksrecherche centrale in Den Haag. Mogelijk had dit geen resultaat opgeleverd, waarna hij middels een telexbericht de SD te Arnhem op de hoogte bracht. De SD had vervolgens de zaak opgepakt en werden de SD-ers Sipkema en Buijink met de zaak belast. Buijink, een vroegere straatpolitieagent te Zevenaar, chef Veldwachter te Heerde en later rechercheur bij de SD, speelde in de oorlog een kwalijke rol bij opsporing van verzetsmensen en ik sluit niet uit dat hij enkelen van hen van het leven heeft beroofd. In het strafproces na de oorlog meldde Buijink dat dit alles buiten zijn weten omging én verhoren plaatsvonden voordat hij bij de SD kwam.
Inmiddels had Dr. N.W. Bruijnis een intern onderzoek ingesteld, dat geen resultaten opleverde. Bruijnis (bijgenaamd rooie Nico) was lid van de NSB en in 1942 benoemd tot burgemeester van Elst. Op 18 oktober 1943 begaven Sipkema en Buijink zich naar het gemeentehuis in Elst en nodigden achtereenvolgens de heren Wassink en Derksen, resp. gemeenteambtenaar en ambtenaren van het distributiekantoor uit op de kamer van burgemeester Bruijnis. Gelijktijdig werd notaris Huigens thuis opgehaald en in hetzelfde verhoor naar de verblijfplaats van zijn zoon gevraagd. Huigens en Wassink ontkwamen beiden aan verdere vervolging, maar Derksen werd overgebracht naar het gebouw van de SD in Arnhem. Uit het rechtbankverslag werd duidelijk dat Buijink, een weifelende Derksen aantrof en hij “direct zag, dat iets uit hem te halen was.” En dat laatste bleek tijdens het verhoor dat Buijink afnam en Derksen aangaf dat hij niet bij hem, maar bij Truus Gelsing, Haverkamp en Erdkamp moest zijn. Op de vraag van Buijink of hij wist wat deze personen hadden gedaan, zegt hij vervolgens dat Gelsing en Haverkamp verantwoordingsstaten van de distributie hadden vervalst en andere staten hadden verbrand. Erdkamp en Hoes gingen veel met elkaar om en deden dan altijd zeer geheimzinnig. Nadat Buijink van dit verhoor een rapport had opgemaakt, droeg SD-chef Arthur Thomsen hem op Gelsing en Haverkamp te arresteren. In de Arnhemsche Courant omschrijft de journalist Albertus Derksen als een zachtmoedig mens, maar moeder natuur heeft vergeten de man een moedig hart te geven. Hem werd een gevangenisstraf opgelegd van tweeënhalf jaar.
Thomsen gaf Buijink tevens de opdracht een onderzoek in te stellen naar de waarheid van de verklaringen van Derksen omtrent Erdkamp en hem te arresteren, als die verklaringen waar blijken te zijn. Met enige collega’s ging hij op 22 oktober 1943 naar Elst, arresteerde de distributieambtenaren Truus Gelsing en Haverkamp en bracht hen over naar de burgemeesterskamer.
Aanhouding Gerrit
Gerrit was op donderdag, waarschijnlijk 22 oktober 1943, een paar dagen na de Gouden bruiloft van de ouders van zijn zwager - Jan Pigmans - thuis opgepakt door de SD-ers.
Gerrit was zich die dag, na het bezoek aan de weekmarkt, aan het omkleden als, omstreeks het middaguur bij de spoorwegovergang een auto naderde. Mien, zijn zus, vertrouwde het niet, want wie reden, behalve de Duitsers, in een auto! Omdat zij wist, dat er mensen waren gearresteerd waarmee Gerrit had samengewerkt, moest er iets bijzonders aan de hand zijn.
Zij waarschuwde Gerrit voor de naderende auto, omdat zij vermoedde dat de lieden in deze auto Gerrit zouden komen arresteren. Gerrit ging naar de zolder en verborg zich in een holle, afsluitbare ruimte van een dakkapel op zolder. Even daarna gaf hij van binnenuit een teken dat hij eruit wilde. Vermoedelijk was hij bang, dat de SD-ers zijn vader zouden meenemen als ze hem niet zouden vinden. Hij was daarop naar beneden gegaan en had de gebeurtenissen afgewacht. De auto arriveerde en daaruit stapten Bruijnis en de handlangers van de SD, Sipkema, Brand en Van der Kamp.
Buijink vertrok die dag samen met Sipkema, Brand en Bruijnis naar de boerderij de Santacker alwaar Gerrit Erdkamp en diens ouders woonden. Voorafgaand aan het bezoek aan de Santacker liet Buijink aan Bruijnis doorschemeren dat Gerrit waarschijnlijk niet gearresteerd zou worden, omdat slechts een verklaring van Derksen aanwezig was. Doch in opdracht van Thomsen moest huiszoeking worden verricht en stond Bruijnis erop bij deze huiszoeking aanwezig te zijn.
Buijink trof Gerrit in één van de woonkamers aan en vroeg hem - Buijink - zijn kamer te wijzen en hem daarheen te brengen. In het bijzijn van Gerrit had hij op diens kamer een onderzoek ingesteld. Buijink vond niets terzake dienende en was weer met Gerrit naar beneden gegaan. Toen hem bleek, dat zijn collega’s Sipkema en Brand geen belastend materiaal hadden gevonden, overwoog hij Gerrit niet te arresteren. Op dat moment overhandigde Bruijnis hem een geopende brief, die hij volgens zijn zeggen ter plaatse had gevonden. Bruijnis zei daarbij iets als: “Kijk eens, nu kun je zien, dat hij er wel iets mee te maken heeft.”
Buijink las daarop die brief, waaruit bleek, dat de schrijver - volgens Mien: Broens - Gerrit bedankte voor ontvangen stam- en bonkaarten. Buijink arresteerde daarop Gerrit, die in het ongewisse werd gelaten over de aanleiding van de arrestatie. In het proces-verbaal van zijn verhoor gaf Buijink aan Gerrit niet zou hebben gearresteerd, als Bruijnis niet met die brief was komen opdagen. De inhoud van de brief vormt de basis van zijn arrestatie.
Gerrit werd naar de auto gevoerd en moest instappen. Mien vroeg daarop of hij niet even afscheid van zijn vader en moeder mocht nemen. Ze lieten hem uit de auto komen, waarop Gerrit naar vader en moeder ging en daarna van de anderen (Mien en de huishoudelijke hulp Truus van Haare) afscheid nam. De auto vertrok daarop in de richting van het dorp.
Binnen het gezin Erdkamp was Mien alleen op de hoogte van het verzetswerk van Gerrit. Zijn vader en moeder waren volkomen verrast door de arrestatie. De stemming was bedrukt en er werd niets gezegd. Alleen angst over zijn lot bepaalde de sfeer in huis. Mien ging vervolgens per fiets naar het dorp om Greet, haar zus die aan de Stationsstraat woonde, van Gerrits aanhouding op de hoogte te brengen.
Verblijf in de Koepel
Vanuit de woning van Greet zag Mien Gerrit, begeleid door de marechaussee Mastenbroek, in de richting van het station lopen. Hij zou per trein naar Arnhem worden vervoerd. Mien had nog de gelegenheid Gerrit op de hoogte te stellen van de vondst van de belastende brief. Mastenbroek stelde Gerrit voor met hem onder te duiken. Gerrit antwoordde hem, dat ze hem niets zouden kunnen maken en dat hij weer spoedig terug zou zijn. Onderduiken durfde hij niet, waarschijnlijk uit angst, dat zijn vader zou worden meegenomen. De SD had op die manier de vrouw van Broens gegijzeld, in de verwachting dat hij zich vrijwillig zou melden. Voor Gerrit was dit een schrikbeeld, dat hij zijn vader niet wilde aandoen.
De brief die de heren bij de huiszoeking hadden gevonden, bleek voor Gerrit echter belastend te zijn. Gerrit en twee anderen, Haverkamp en Truus Gelsing, werden daarop naar de Strafgevangenis, resp. het Huis van Bewaring in Arnhem overgebracht.
In de Strafgevangenis - de Koepel - werkte de huisschilder August W. Heister uit Oosterbeek als gevangenisbewaarder. Hij kwam op een dag op de fiets naar de Santacker en bracht een brief van Gerrit mee. Gerrit had voor zijn - clandestiene - brief enkele velletjes glad toiletpapier gebruikt en zou dat in de toekomst vaker doen. In zijn brief berichtte hij hoe het hem was vergaan, hoe het leven in de gevangenis was en wat hij graag zou willen hebben, bijvoorbeeld wat eten en een jas tegen de koude in de cel. Hij maakte gewag van martelingen als drukmiddel tijdens de verhoren.
Daags daarop maakte moeder voor Gerrit erwtensoep met kluif en gaf een gevulde thermoskan aan Heister mee. Heister zelf kreeg tevens voor zijn gezin eten mee. In de gevangenis smokkelde hij de thermoskan voor Gerrit binnen. Zo kon Gerrit regelmatig van een warme maaltijd worden voorzien.
Verhoren werden afgenomen door medewerkers van het bureau van Außenstelle Arnheim IV van de SD. Het bureau was gevestigd in het gebouw van de P.G.E.M. , Utrechtsestraat 55a in Arnhem en de naam “Kraton” droeg. ,
De Außenstelle Arnheim stond onder bevel van de hiervoor genoemde SS Hauptstürmführer Arthur Thomsen, die echter wegens ziekte vaak afwezig was. SS Obersturmführer Arno Huhn had daardoor meestal de leiding, maar liet zich eveneens weinig zien. Binnen de Außenstelle Arnheim waren aparte afdelingen voor het ondervragen en arresteren van joden, communisten, saboteurs en andere verzetslieden. Onder deze medewerkers bevonden zich een aantal zogenaamde Rijksduitsers. Dit waren Duitsers die al enige jaren in Nederland woonden en daardoor konden worden ingezet bij de verhoren. De vierentwintigjarige Philippe X. Olivier uit Nijmegen was tussen april 1942 en augustus 1944 werkzaam in het Huis van Bewaring in Arnhem en stelde in februari 1945 op last van de politieke recherche in Nijmegen een lijst op van het SD personeel in Arnhem. Hiertoe behoorde de SS Oberscharführer Mack die was belast met het doorsturen van arrestanten en hij voerde, aldus Olivier, het volgende motto: “Jong of oud, ziek of gezond, dat komt er niet op aan.” Hij stuurt alles naar Amersfoort en dan werd het daar wel verder uitgezocht. Hij werkt met de leuze: “Es gibt nur ein Weg….Amersfoort.” “Dit vindt hij zelf prachtig en wij hebben het tientallen malen moeten aanhooren. Hij verhoort altijd in het Huis van Bewaring op de Regentenkamer, maar heeft bij mijn weten niemand mishandeld. Hij nam de personaliën op en stuurde alles en iedereen naar Amersfoort.”
De jas die Gerrit had gevraagd, gaven Greet, Wim, de vriend van Mien, en Mien af bij het bureau van de SD. Greet werd als enige in een afgezonderde ruimte binnen gelaten. De portier opende en sloot de deur en eenmaal binnen, kon je niet meer naar buiten. Wim en Mien waren in de hal achtergebleven. Greet had vervolgens een gesprek met Buijink, de man die de zaak van Gerrit behandelde (Sachbearbeiter). Tijdens het gesprek gaf Buijink te kennen Mien mee te hebben willen nemen, wegens de "brutale" opmerkingen, die zij had gemaakt tijdens het wegvoeren van Gerrit. Omdat Mien een kind op de arm had (haar neef Arie Jan Pigmans), hadden zij daarvan afgezien.
Na verloop van enkele weken volgden meerdere arrestaties en werd nagenoeg de gehele groep opgepakt. Broens, Sloot en Wannet konden aan de arrestatie ontkomen.
Waarvan Gerrit formeel werd beschuldigd, is niet bekend. Gezien de activiteiten die hij had verricht, moet niet worden uitgesloten, dat hem het uitgeven, verspreiden of onder zich hebben van anti-Duitse geschriften ten laste was gelegd. Impliciet pleegde hij verzet en was dus illegaal werker.
De rechtspleging was in de periode van zijn arrestatie uit haar voegen geraakt en nauwelijks effectief meer te noemen. Verdachten die door de SD aan de Staatsanwaltschaft waren overgedragen, werden weer terugverwezen naar de SD, vervolgens door dezelfde SD aanvankelijk op transport gesteld naar het kamp Amersfoort maar later naar het kamp Vught.
Transport naar Vught
Gerrit had tot 27 januari 1944 in Arnhem gevangen gezeten. Die dag was hij omstreeks 10:00 uur met veertig medegevangenen per trein overgebracht naar het kamp Vught.
Bij die gelegenheid had Wim Gerrit op het perron van het station Arnhem nog even kunnen spreken. Gerrit had toen verteld, dat Buijink hem tijdens een verhoor, een geopend mes naar zijn hoofd had gegooid. Gerrit vertelde verder dat hij tot de avond voor zijn vertrek vol had kunnen houden onschuldig te zijn, maar onder de mishandelingen van Buijink uiteindelijk was bezweken.
Verblijf in Vught
Zoals hiervoor al is aangegeven, lag de beslissing tot overplaatsing van Arnhem naar Vught in handen van de Sachbearbeiter, Buijink. Op basis van de registratie mag worden afgeleid dat Gerrit werd gerekend tot de Politische Schutzhäftlinge. Gerrit werd in dit kamp ingeschreven als "Häftling P 1555" (politieke gevangene) en verbleef daar in barak no. 13. Met een aantal mannen uit de verzetsgroep Elst werd Gerrit opgedragen voor de Luftwaffe vliegtuigwrakken te slopen.
Op 31 januari 1944 had Jan Pigmans, de man van Greet, een pakje voor Gerrit in het kamp Vught afgegeven. Daarna hadden Greet en Diny Vink op 22 februari 1944 een bezoek aan Gerrit gebracht en op 24 mei 1944 was vader Erdkamp met Wim naar Vught gegaan. Zij hadden Gerrit toen gezien op het emplacement, waar hij meewerkt aan de sloop van vliegtuigwrakken, maar hem niet meer kunnen spreken.
Gerrit had nog een mogelijkheid tot ontsnappen gehad toen Broens, die bij de spoorwegpolitie werkte, verkleed als machinist, met een locomotief en enkele wagons het kamp binnenreed en Gerrit de gelegenheid bood mee terug te rijden. Gerrit had dit niet gedaan, omdat hij, zoals hij tegen Broens zei, bang was dat zijn medegevangenen daarvan de dupe zouden worden. Dit was het laatste dat de familie van Gerrit gehoord of gezien hadden.
In de periode van Gerrit’s verblijf was het kamp Vught, formeel Konzentrationslager Herzogenbusch, amper een jaar in bedrijf en maakt het kamp deel uit van het stelsel van concentratiekampen die de Duitsers in en buiten hun eigen land hadden ingericht. Bij geruchten werd vernomen, dat de gevangenen van het kamp Vught in de eerste dagen van september 1944 op transport waren gesteld naar Duitsland. Inderdaad werd het kamp na Dolle Dinsdag (5 september 1944) door de Duitsers volledig ontruimd. De gevangenen werden in verschillende concentratiekampen in Duitsland ondergebracht en Gerrit vertrok met mannelijke en vrouwelijke gevangenen op diezelfde dag met het één na laatste transport uit Vught. Henk Kuipers en Albert Marskamp die deel uitmaakten van de groep Elst, vertrokken diezelfde dag. Voor ze moesten instappen, hadden ze een halve dag op appèl gestaan en kwam aan het tellen van de gevangenen geen einde. Ook zieken moesten op appèl staan. Aan het eind van de middag vertrok de goederentrein (sic!) uit Vught. De vrouwen gingen naar het KZ Ravensbrück en de mannen naar het KZ Sachsenhausen/Heinkel, nabij Berlijn.
Begin september zouden de bevrijders volgens de geruchten elk moment voor de poort kunnen staan. Het pakte helaas anders uit.
Op 5 september 1944 moesten alle gevangenen, ook het drukkerskommando dat 9 maanden gescheiden was geweest van de rest, verzamelen op de appèlplaats: De Leuvenaars en andere kameraden kwamen me begroeten en verwachtten, dat we dit jaar nog Leuven-kermis in onze stad zouden vieren. Allen zijn opgetogen. Het moet een onwezenlijke aanblik zijn geweest. Terwijl het geschut donderde en zelfs rookwolken zichtbaar zijn, stonden op de grote appèlplaats honderden gevangenen gelaten te wachten op wat komen ging. Bewakers lieten zich bijna niet meer zien. Geruchten golfden door de rijen wachtenden; het kamp was reeds omsingeld, ze konden niet meer weg. Nog dezelfde dag zouden Nederlandse autoriteiten van het Rode Kruis het kamp overnemen van de Duitsers. Maar dat gebeurde niet. Opeens zijn overal weer de bewapende SS-ers. De gevangenen werden naar een bij het kamp gereedstaande trein gebracht en met 80 tegelijk in een wagon gepropt. Wat volgde was een lange, moeilijke reis, die voor de Nederlanders en Belgen in de treinen zou eindigen in weer een concentratiekamp: Sachsenhausen. Een dag later vertrok overigens nóg een trein uit Vught, nu met mannen en vrouwen. De mannen kwamen wederom in Sachsenhausen terecht, de vrouwen, ook Belgische, in Ravensbrück.
Zó dicht bij de vrijheid, die opeens weer zó ver weg bleek te zijn. Het zou nog ruim een half jaar duren voordat de overlevenden terug konden keren naar hun familie en geliefden. En naar hun zo vaak in dagdromen figurerende stad Leuven.
Gerrit’s tocht langs concentratiekampen Sachsenhausen en Neuengamme
In de maanden die volgen verbleef Gerrit achtereenvolgens in Sachsenhausen, overnachte in Neuengamme en arriveerde uiteindelijk in Beendorf.
Gerrit verbleef ongeveer een maand in Sachsenhausen, vermoedelijk in het Heinkellager in Germendorf, en werd op 16 oktober 1944 als gevangene met nummer 58139 naar Neuengamme, bij Hamburg, gezonden. Mogelijk had hij daar de nacht doorgebracht en werd vervolgens daags daarna op transport gesteld naar Beendorf.
Na een kort verblijf in Sachsenhausen moest Albert Marsman naar het Arbeitslager Rathenow om te werken in de Arado Flugzeugwerke. Henk Kuipers werd doorgestuurd naar Neuengamme en overleed daar op oudejaarsdag 1944. Albert heeft het gruwelijk verblijf in het Arbeitslager doorstaan.
Aankomst en verblijf in Außenlager Beendorf
Op of omstreeks 16 oktober ging Gerrit vervolgens naar het Außenlager Beendorf. Dit transport bestond uit 60 mannelijke gevangen, waarvan een aantal afkomstig waren uit Putten. De transportbewegingen van Sachsenhausen naar Neuengamme en tenslotte naar Beendorf duiden het begin aan van chaotische periode dat het Naziregime zou doormaken. In de drukkende sfeer van productieverlies door bombardementen, verplaatsing van productie en een toenemende tekort aan arbeidskrachten die, ondanks alles, de productie op peil moesten houden, werden met voorrang de productielocaties gerealiseerd.
In de gemeente Beendorf, gelegen in Sachsen-Anhalt, bevonden zich in de voormalige zoutmijnen van Beendorf en Morsleben twee schachten die toegang boden tot mogelijke productielocaties.
In de schacht Marie werd aanvankelijk flakmunitie opgeslagen, maar zou in de laatste maanden van de oorlog, samen met de locatie Morsleben een volwaardige productie-eenheid vormen voor de Askania-Werke en Luftfahrtgerätewerk Hakenfelde. Deze bedrijven waren belast met de levering van onderdelen voor de V1. Om de grootschalige herschikking van de productielocaties nabij Berlijn en Kassel mogelijk te maken, was voor het Außenlager Beendorf de inzet van mannelijke en vrouwelijke dwangarbeiders vereist. De mannen zouden productieruimten in de mijnen moeten realiseren en de vrouwen, waaronder Amsterdamse diamantwerksters, moesten fijnmechanisch werk uitvoeren.
Het bevel over het Außenlager lag in handen van Gerhard Poppenhagen, een SS-Obersturmführer die daarin werd bijgestaan door twee SS-ers, Hans Blöcker en Anton Jansen Brunken.
Poppenhagen verscheen zelden in het Außenlager, vaardigde bevelen uit en liet gruwelijkheden op hun beloop. Met name Anton Jansen Brunken, SS-Rottenführer, werd gekenmerkt als sadist, die martelingen en dodelijke vergrijpen voor zijn rekening nam.
Eerst in augustus 1944 kon met de productie een begin worden gemaakt, hetgeen betekende dat Gerrit zou worden ingezet voor onderhoudswerkzaamheden in de mijnen of op het buitenterrein.
Uit de brieven van medegevangenen blijkt dat zij moesten werken in de zoutmijngangen. Gerrit wist zich hieraan te onttrekken en werkte samen met Polen en Russen op het buitenterrein. Buiten konden ze rondscharrelen en zo extra eten verzamelen. Gerrit was, door zijn afkomst uit een boerenfamilie, goed bestand tegen de winterse kou. Die winter van 1944/1945 bleek overigens bijzonder streng. Desondanks speelde de familiekwaal - zwakke darmen - hem parten en raakte hij in maart 1945 aan de diaree. Hij werd zeer mager en uiteindelijk opgenomen in de ziekenboeg. Zo meldt Gijsbert Jansen:
“Gerrit Erdkamp was ongeveer half Maart 1945 als dysenterie patiënt in de barak opgenomen. Na 14 dagen ging hij er weer uit, doch na een week kwam hij weer in de barak terug. Hij was er toen al slecht aan toe.”
Aan het verblijf in het Außenlager besteden Dr. Raymonde Guyon-Belt en David Rousset de nodige aandacht in hun boeken. Naar mate het einde van oorlog naderde, nam het geweld dat bewakers en bewaaksters uitoefenden verder toe en kwam geen einde aan het slopende verblijf.
Op 8 april 1945 werd een ontruimingsbevel uitgevaardigd voor het Außenlager en moesten op 9 april 1.350 mannen en 3.000 vrouwen op transport naar Wöbbelin worden gesteld in 60 open en gesloten wagons. Poppenhagen had voor dit transport twee dagen ingeruimd en daarop de voedselvoorraad gebaseerd. Deze verplaatsing naar het eindpunt Neuengamme nam uiteindelijk twaalf dagen in beslag en kostte het leven aan meer dan 500 gevangenen, waarvoor Poppenhagen verantwoordelijk werd gehouden. Hij had immers de gelegenheid kunnen nemen de trein in Maagdeburg aan de Amerikaanse verkenners over te dragen. Hij weigerde, omdat het bevel van Pauly, de kampcommandant van Neuengamme, zwaarder woog.
Uiteindelijk bestond de trein uit circa 75 wagons, die evenwel kort na de start van het transport moesten worden afgekoppeld, omdat de locomotief over onvoldoende vermogen beschikte. De gevangenen uit die afgekoppelde wagons werden samengepropt in de resterende wagons. De aanvankelijk 70 gevangen per wagon verdubbelde tot ca. 150. De tocht werd vervolgd over Marienbaum, Magdeburg, Stendal richting Wittenberge, Ludwigslust en Sülstorf en bereikte op 15 april Wöbbelin, de tussenstop naar Neuengamme.
Vermissing en verlies van Gerrit
In het Proces-verbaal dat J.J.H. Broens, Inspecteur van Politie, had opgemaakt van de verhoren van de teruggekeerde gevangenen, deden enkelen van hen uitvoerig verslag van het transport. Eén van hen, P.J.G. van der Enden vertelde het volgende:
“In de eerste week van April 1945 werden wij met 2000 mannen en 2000 vrouwen van Helmstedt naar Ludwigslüst per trein vervoerd. Dit vervoer geschiedde in open en gesloten goederenwagons. De reis duurde 6 dagen en 6 nachten. De eerste dag kregen wij nog wat te eten, doch de daarop volgende 5 dagen en nachten kregen wij eten noch drinken. Iedere morgen stopte de trein en werd er appèl gehouden en de dooden en zieken eruit verwijderd.
Het aantal dooden varieerde per dag van 40 tot 60 à 80.”
Gijsbert Jansen vervolgt:
“Ongeveer begin April werden wij allen op transport gesteld in goederenwagons. Er zijn 2 wagons voor zieken, nl. een voor darmpatiënten, waaronder ook Gerrit viel, en een wagon voor longpatiënten enz. Ik herinner me, dat Gerrit per abuis in den verkeerde wagon terecht kwam. Hij werd later in den goeden wagon overgeplaatst. Ik zelf was belast met de verpleging in den long enz. patiënten wagon.”
Op 11 april arriveerde het transport in Stendal en vervolgde Poppenhagen het transport, vermoedelijk via Nauen (op ca. 41 km. van Berlijn) in de richting van Wittenberge. De volgende dag arriveerde het transport in die stad. Bij aankomst in Ludwigslust (Wöbbelin), op 15 april, hadden de medegevangenen Gerrit niet meer gezien.
Uit de in ons archief opgenomen brieven en verklaringen van P.J.G. van den Enden, K. Schuurmans, Fr. van Elburg en het Nederlandse Rode Kruis werd enigszins duidelijk hoe het verblijf in het concentratiekamp was geweest. Omtrent het overlijden van Gerrit en waar en hoe hij was begraven, geven deze brieven geen uitsluitsel. Meer werd echter duidelijk uit het hiervoor genoemde proces-verbaal van Broens. Een aanwijzing waar de dwangarbeiders en gevangenen waren begraven, geven Van der Enden en Jansen in het proces-verbaal. Van der Enden verklaarde dat:
“De 4e of de 5e dag bevond Gerrit zich ook onder de zieken. In Stendall bevond hij zich nog op het appèl. Hij zag er toen al zeer naar uit. Zeer groote oogen enz. Hij liet zich daar op den grond vallen. Nadien heb ik hem niet meer gezien. Van anderen vernam ik, dat Gerrit ook overleden was. Zijn sterven heb ik persoonlijk niet gezien, noch dat hij met de anderen begraven werd. Het appèl was ’s morgens om 5 uur en duurde 1 uur of 1 ½ . Ik zelf heb niet de minste twijfel of Gerrit was overleden en even voorbij Stendall terzijde van de spoorlijn met andere begraven. Het graf moet zich op hoogstens 50 Meter links van de spoorbaan, gezien vanuit de richting Stendall bevinden.”
De heer G. Jansen vulde als volgt aan:
“Ik heb, naar ik vermeen den 3e dag van het transport Gerrit nog langs den trein zien loopen. Hij gaf te kennen, dat hij nergens meer in kon. Ik kreeg den indruk, dat hij door de koorts niet meer bij zijn positieven was. Ik heb nog gezien, dat de dokter hem nog weer in den ziekenwagon duwde, doch even later liep Gerrit al weer buiten. Ik zag later, dat hij bij in een wagon met Russen enz. werd geduwd. Bij aankomst te Ludwigsluss, was Gerrit er niet meer bij, zoodat ik voor mij zelf als zeker aanneem, dat hij overleden was.”
In zijn verklaring van 10 mei 1946 meldde Poppenhagen, dat de gevangenen die onderweg waren gestorven, in Wittenberge, Sülstorf en Wöbbelin waren begraven. Voor Gerrit waren deze rustplaatsen uitgesloten. Enerzijds, omdat zowel Van den Enden als Jansen in tijd en plaats bij Stendal uitkwamen en de stad Wittenberge volgt op Stendal. Anderzijds komt de naam van Gerrit niet voor in de lijst van oorlogsslachtoffers van Außenlager Wöbbelin. Sülstorf was uitgesloten omdat Ludwigslust de laatste halteplaats was voor mannen en alleen vrouwen op weg naar Neuengamme deze plaats waren gepasseerd.
Omdat Gerrit in Ludwigslust (Wöbbelin) niet meer door zijn Nederlandse medegevangenen was gesignaleerd, zal hij vermoedelijk op 11 of 12 april 1945 ( ’s morgens) zijn begraven in of nabij Stendal. Navraag bij de gemeente Stendal over een mogelijk massagraf bij het station, leverde de nodige commotie op bij de medewerkster. Geschrokken en aangeslagen deed zij navraag, maar kon geen uitsluitsel geven.
Vervolging en veroordeling
Zowel in Nederland als Duitsland zijn de verdachten van oorlogsmisdrijven vervolgd en veroordeeld.
Buijink
In het PV geeft Buijink zijn kijk op de arrestatie en het verhoor van Gerrit. Deze verklaring was grotendeels opgenomen in het vonnis dat betrekking had op de veroordeling van Bruijnis. Aan het eind van zijn verklaring met betrekking tot de arrestatie en het verhoor van Gerrit meldt Buijink op pag. 43 van dit PV:
“Na zijn overbrenging naar de Strafgevangenis te Arnhem was Erdkamp door mij gehoord geworden. Erdkamp erkende toen, nadat ik hem voormelde aan hem geadresseerde brief had getoond, dat hij een bonkaart had gezonden aan den afzender, die ondergedoken was. Erdkamp verklaarde deze bonkaart ontvangen te hebben van Hoes. Tevens erkende hij bonkaarten voor Hoes in Elst (OB) rondgebracht te hebben.
Ik ontken ten stelligste Erdkamp ooit mishandeld te hebben. Hier was in het geheel geen aanleiding voor. Ik kan mij ook niet voorstellen, dat Erdkamp door een collega mishandeld geworden was.
Aan dit geval Erdkamp wil ik nog toevoegen, dat, wanneer burgemeester Bruijnis, die geheel op eigen initiatief meeging, niet met den bewusten brief was komen opdagen, Erdkamp zeer zeker niet gearresteerd zou zijn geworden“.
In zijn verweerschrift verklaart Buijink tenslotte, dat hij in de zaak Hoes klem zat tussen de SD en Bruijnis. In het kader van de vervolging van Buijink legt Wim Hermsen als getuige bij de Politieke Recherche, afdeling in Arnhem, de volgende verklaring af:
“Op 27 januari 1944 werden mijn zwager G.A. Erdkamp met al de anderen uit Elst (OB) en omgeving afkomstige gearresteerden overgebracht van Arnhem naar Vught.
Dit transport geschiedde per trein en mij was tevoren bekend dat dit zou gebeuren.
Ik was dan ook op het station te Arnhem aanwezig toen de voormelde personen allen geboeid op het station verschenen begeleid door Grüne Polizei en andere politieambtenaren.
Ik had de gelegenheid met mijn zwager te spreken.
Tijdens dit gesprek deelde hij mij mede, dat hij tot den avond tevoren vol had kunnen houden, dat hij onschuldig was, doch dat hij hierna door Buijink mishandeld was geworden, reden waarom hij een gedeelte van het hem ten laste gelegde min of meer had toe moeten geven. Mijn zwager deelde mij tevens nog mede, dat hij op dat moment nog pijn ondervond van de mishandelingen den avond tevoren ondergaan.
Ik kan mij niet meer herinneren waar hij pijn had.
Het was mij bekend dat Buijink tijdens een van de verhooren die hij mijn zwager heeft afgenomen, eens naar hem gegooid heeft met een zakmes.
Ik weet niet of dit zakmes al of niet geopend was.”
Het Bijzonder Gerechtshof veroordeelde Buijink tot een gevangenisstraf van negen jaren, tegenover een strafeis van de procureur fiscaal Mr. Huber van 14 jaren. Deze eis viel overigens aanmerkelijk lager uit, omdat verdachte niet zo door en door verdorven was als de meesten zijner soortgenoten.
Bruijnis
In de PV-en die na hun arrestatie in 1945 waren opgesteld, spreken beide verdachten elkaar op het punt van de (on-)geopende brief tegen, mogelijk om strafvermindering te verkrijgen.
In het PV opgemaakt na zijn arrestatie in 1945, geeft Buijnis het volgende beeld van de huiszoeking.
“Vervolgens was de reis naar de boerderij van Erdkamp te Elst, alwaar diens zoon Gerrit gearresteerd moest worden. Ook hier werd een huiszoeking verricht, waar ik eveneens aan deelnam. Ik erken daarbij een niet geopende brief te hebben gevonden op de fruitschaal, welke op het buffet stond. Deze brief was gericht aan Erdkamp. Ik heb deze brief, naar ik meen ongeopend aan Buijink overgegeven. Ik kan mij niet herinneren, of ik aldaar zelf ten overvloede een bureau nogmaals heb doorzocht, ondanks de mededeling van een der rechercheurs, dat dit bureau reeds doorzocht was.
Na afloop van de huiszoeking werd genoemde Gerrit Erdkamp door mij naar de auto gebracht, waarbij ik hem bij de arm pakte, daar hij zelf zo spoedig mogelijk naar de auto wilde.”
Tegengesteld daaraan verklaarde Buijink een geopende brief overhandigd te hebben gekregen van Bruijnis, met de woorden : “Nu heb je hem goed, lees maar, althans woorden van die strekking.
Ik heb daarop die brief gelezen, waarbij mij bleek, dat de schrijver daarin Erdkamp bedankte voor ontvangen stam- en bonkaarten. Ik heb daarop Erdkamp gearresteerd en meegenomen. Ik zou dit niet hebben gedaan als verdachte niet met die brief was komen opdagen. Erdkamp en Haverkamp zijn daarop naar de Strafgevangenis te Arnhem overgebracht en Truus Gelsing naar het Huis van Bewaring aldaar.”
Tijdens de behandeling van de zaak voor het Bijzonder Gerechtshof te Arnhem op 7 september 1949 eiste de procureur fiscaal een gevangenisstraf van 8 jaren. Het hof deed vervolgens op 20 september uitspraak en legde een aanzienlijk lagere straf op van 6 ½ jaren met vooraftrek, zodat de veroordeelde al na enkele dagen op vrije voeten kwam.
Poppenhagen
In het verhoor van 10 mei 1946 in de gevangenis van Altona (Hamburg) verklaarde Poppenhagen niet bekend te zijn geweest met de executies uitgevoerd door Brunken. Hij rekende het desondanks tot zijn plicht in die gevallen te acteren. Na uitvoering van het ontruimingsbevel van Pauly van april 1945 is het hem voorts ontgaan dat 200 vrouwen in een open wagon werden vervoerd. Voorts toonde hij zich verbaasd te horen dat de gevangen de eerste vijf dagen van het transport geen voedsel hadden ontvangen. Ondanks het feit dat hij erkend levens gespaard te kunnen hebben, als hij het transport in Maagdenburg aan de Amerikanen had overgedragen, woog het bevel van Pauly zwaarder. In gevangenschap zou hij zich niet hebben kunnen verantwoorden tegenover Pauly, waardoor voortzetting van het transport voor de hand lag.
De gespeelde onbenulligheid komt eveneens tot uitdrukking in het verhoor van 10mei 1946, zoals blijkt uit onderstaande afbeelding.
Poppenhagen kreeg een gevangenisstraf opgelegd van 15 jaren, maar werd in 1953 reeds vrijgelaten. In 1975 werd een strafrechtelijk onderzoek tegen hem ingesteld naar dodelijke vergrijpen in het Außenlager Beendorf. Het onderzoek kreeg geen vervolg, omdat geen bewijzen tegen hem voorhanden waren.
Brunken
Tijdens het verhoor van 17 mei 1946 in het interneringskamp Esterwegen (Kreis Emsland, Niedersachsen), toonde hij zich plichtsgetrouw, belast met toezicht op de gevangenen, het verloop van het appèl en de verdeling van het voedsel. Hij droeg geen zweep en slechts een pistool zonder hiervan gebruik te maken. Bevel gevangenen op te hangen werden uitgevaardigd door de Gestapo Maagdenburg en Litzmannstadt (Lódz, Polen). Met andere woorden: hem trof geen blaam.
Petrus van der Enden uit Monster, die het verblijf in Beendorf had overleefd, heeft over de gruwelijkheden die in Beendorf hadden plaatsgevonden voor de berechting van Brunken een uitvoerige verklaring afgelegd. In het PV van 27 mei 1946 kenschetste hij Brunken als “als de grootste ploert van de twee” in vergelijking met Poppenhagen.
De Britse militaire rechtbank veroordeelde Brunken op 14 augustus 1946 ter dood en werd het vonnis op 23 januari 1947 in Hameln ten uitvoer gebracht.
Verwerking verlies Gerrit
Van de overigen leden van de verzetsgroep uit Elst keren slechts Truus Gelsing, H. Peters en David Wiesebron in het voorjaar van 1945 terug uit Duitsland.
Na de bevrijding van Nederland en capitulatie door Duitsland blijven zijn vader en moeder in onzekerheid. Moeder Marie Erdkamp spreekt zich uit in haar brieven en vader Jan Erdkamp uit zich slechts in een korte aantekening. Hoe zij het verlies van Gerrit hebben ondergaan, blijft in nevelen gehuld.
Uit enkele passages uit haar brieven schrijft Marie haar verdriet van zich af. Zo vertelt ze in haar brief van 14 oktober 1944: “Ik heb nu precies vanaf wij hier gekomen zijn tot Donderdag op bed gelegen, ben nu weer aardig goed, doch niet de oude , en zal dit ook wel niet meer worden voor wij Gerrit weer eens bij ons hebben. Als dit nu nog maar zal gebeuren?” “ ’t is onmenschelijk zóó iets in deze tijd nog mag, maar nu Gerrit? Wat zal daar onderhand mede gedaan zijn, en wat zal hij te lijden hebben, je moet er maar niet te veel aan denken, anders wordt je nog gek!”
In de aantekening in de agenda van Jan Erdkamp proef je de teleurstelling na afloop van het bezoek van kapelaan Sloot. Jan vermoedde waarschijnlijk dat Sloot op 8 april meer wist en slechts het gemoed van de familie kwam opnemen.
Eerst op 18 augustus 1945 volgt de mededeling van pater van der Zandt dat Gerrit is overleden. Tot die dag is Jan bijna dagelijks in het dorp wezen kijken naar de komst van Gerrit. In alle stilte wordt het verlies van Gerrit verwerkt met een laatste aantekening in de agenda van Jan Erdkamp.
Een overlijdensadvertentie werd in verschillende landelijke dagbladen geplaatst, zoals in de Tijd, Maasbode en Nijmeegsch Dagblad.
R.W. Hermsen Wijchen, 11 juli 2026