Filip Douma

Powered by vir2biz

Persoonsgegevens

VoornaamFilip
InitialenF.
AchternaamDouma
GeslachtMan
Geboren18-06-1923 in Anjum.

Gearresteerd doorGrüne Polizei
Reden arrestatieverzet/sabotage/Arbeidsinzet Duitsland (zgnd)
Gearresteerd inDen Haag
Gearresteerd op16-09-1944

 

Neuengamme

Aangekomen op14-10-1944
Vervoermiddeltrein, goederenwagons
Vanaf plaatsAmersfoort

Detentiegeschiedenis

Amersfoort, vanaf 16-09-1944 tot 11-10-1944

Kampen

Hamburg-Hammerbrook, Spaldingstrasse 156/158
Neuengamme
Sandbostel
Wedel
Wöbbelin

Ingezonden verhalen over Filip Douma

Geschreven door Doede Douma op 05-11-2025

Het verhaal van H 56325

Inleiding

Dit is het verhaal van Filips Douma over zijn periode in het concentratiekamp tijdens de tweede wereld oorlog. De heer Douma heeft altijd erg weinig verteld over deze donkere tijd. Het vertellen bracht teveel emoties teweeg. Zijn hele leven heeft hij nachtmerries gehad over zijn tijd in het kamp. Zijn kinderen hadden altijd veel vragen over deze verzwegen tijd. Maar in 1995 heeft hij zijn verhaal getypt op een oude typemachine, zodat de kinderen en kleinkinderen weten wat er in het kamp is gebeurd. Hij heeft de bladzijden gekopieerd en in mapjes gestopt. Het verhaal is dus gericht aan de kinderen en kleinkinderen.

De kinderen




Inleiding

1995

Op 5 mei 1995 is het 50 jaar geleden dat Nederland werd bevrijd. Ik heb vaak plannen gehad om mijn belevenissen in de concentratiekampen van Duitsland op te schrijven, maar tot nu toe zag ik er steeds vanaf, omdat het natuurlijk altijd opnieuw emoties oproept. Toch meen ik, dat het nu na 50 jaar, een goede gelegenheid is om mijn verhaal voor de kinderen en de kleinkinderen op schrift te stellen.


Hijum

In onze familiekrant heb ik geregeld geschreven over mijn jeugdjaren. Ik neem aan dat die bijdragen wel worden bewaard, zodat ik niet hoef te herhalen over die jaren. Het was over de jaren dat wij in Hijum woonden en mijn werken bij de boeren. Mijn vader werkte bij boer Jensma. Die wilde op een keer dat mijn broer en enkele zusters naar de openbare school van Hijum zouden gaan, omdat er te weinig kinderen naar die school gingen. Wij gingen naar de christelijke school van Hallum. Onze ouders piekerden er niet over om hun kinderen naar een openbare school te sturen en zodoende moesten wij verhuizen en kwamen wij waarschijnlijk in het jaar 1939 in Pietersbierum te wonen.


Pietersbierum

Heit, Sjouke en ik en mijn zuster Griet kwamen bij boer Jasper Zijlstra te werken. Het wqas al lang zeker voor mij, dat ik niet bij een boer wilde blijven. Toen ik dan ook een advertentie las, dat er in Franeker een cursus werd gegeven voor het politie-diploma, was ik snel besloten om mij daarvoor op te geven. Inmiddels was op 5 mei 1940 de oorlog uitgebroken, die maar enkele dagen duurde. Daarna ging het gewone dagelijkse leven in ons gezin door en merkten wij niet zoveel van de oorlog. Wel werd alles schaarser en duurder. In de zomer van 1941 gaf ik mij op voor die cursus en ging daarna geregeld naar Franeker om de lessen te volgen. Boer Zijlstra stelde mij in de gelegenheid om steeds op tijd de lessen te volgen. Ik besteedde al mijn vrije tijd aan de studie. De volgende winter vroor het streng en enkele keren ging ik lopende door de sneeuw en over het ijs naar Franeker (bijna 7 kilometer). Ik heb geen enkele les gemist en toen ik in het voorjaar van 1942 examen deed in Amsterdam, slaagde ik met hoge cijfers. Ik kon daarna vrij spoedig een aanstelling krijgen in Den Haag, maar gezien de Duitse bezetting, twijfelde ik om te solliciteren. Ik vroeg advies aan de chef van de politie in Sexbierum en bij onze dominee L. van Urk. Beiden vonden dat ik het wel kon wagen en ik wilde natuurlijk dolgraag bij de boer vandaan.

Achteraf bleek het geen goede beslissing te zijn geweest, maar zo is het met veel dingen. Van de gekozen loopbaan heb ik nooit spijt gehad en ik heb 40 jaar lang mijn werk met plezier gedaan.


Den Haag

Zo kwam dan de dag dat ik mijn loopbaan kon beginnen bij de politie van Den Haag. Het was een hele gebeurtenis, want ik was nog nooit buiten Friesland geweest. Van de oorlog merkten wij aanvankelijk niet zo veel. We konden ons werk, dat grotendeels uit surveillance per fiets bestond, in alle vrijheid doen. Ik had goede vrienden en er waren vrij veel Friese collega’s. Zondags ging ik geregeld naar de Noorderkerk in de Schuytstraat. Daar ontmoette ik de familie De Graaf uit de Bonistraat. Vaak kwam ik bij hen thuis en toen ik later in het kamp zat, zijn meerderen van de familie De Graaf bij ons thuis in Pietersbierum geweest. Eén van hen, Joke de Graaf heeft gelogeerd bij de ouders van mem, de familie Posthumus. Ik had inmiddels verkering gekregen met mem, Sietske Posthumus. Het was daarom al een feest om één keer in de vier weken naar huis te gaan. In Den Haag ging ik toen ook naar belijdenis-catechesatie van dominee Barkey-Wolf en ik kreeg zelfs huisbezoek. Alles bij elkaar genomen had ik het reuze naar mijn zin. Maar in het verdere van de oorlog begon het er niet beter op te worden. Soms vielen er bommen en we merkten, dat de Duitsers lastig begonnen te worden.

Bijna ongemerkt kwam ik met de illegale dingen in aanraking. Wij hadden o.a. een baas, die ons vroeg om werk te doen, wat geheim moest blijven. Zo wilden de Duitsers eens artsen ophalen, die niet met hen wilden meewerken. Ik kreeg met een maat uit Friesland een lijstje met namen van artsen, die de volgende dag zouden worden gearresteerd. Wij zagen kans om hen allemaal te waarschuwen, zodat de volgende morgen maar vier artsen werden aangehouden. De Duitsers waren woedend en gelasten een onderzoek. Kort daarna werd midden op de dag het bevolkingsregister van Den Haag gebombardeerd. Het waren voltreffers en het hele gebouw brandde af. Wij kregen daarna bewaking bij het gebouw en uiteindelijk werden de papieren die goed waren gebleven overgebracht naar Scheveningen. Ook daar moesten wij ’s nachts de zaak bewaken. Opnieuw kregen we opdracht om persoonskaarten uit de kaartenbakken te halen. Dat waren kaarten van personen die door de Duitsers werden gezocht. De kaarten moesten ter plekke in de kachel worden verbrand. Men miste die kaarten ook niet, omdat een groot gedeelte bij het bombardement al was verbrand. Ik nam toen de vrijheid om voor mijzelf ook kaarten te verwijderen, Daar waren ook kaarten bij van de jongens van dominee Van Urk. Ik wist dat zij illegaal werk deden in Sexbierum. De kaarten van mem en haar broer Jelte nam ik ook weg, maar ik was zo dom om die mee te nemen naar het bureau en ze in mijn kast op te bergen. Ik wilde ze meenemen naar huis.

Op de een of andere manier kwam men er achter dat er persoonskaarten verdwenen en op een zekere dag kwam ik thuis op het bureau en bemerkte ik dat de kast van mijn eigendommen was open gemaakt. Ik bemerkte dat de kaarten die ik meegenomen had, eruit waren gehaald. Kort daarna moest ik bij de chef van het bureau komen. Toen ik binnen kwam, zag ik de kaarten op tafel liggen. Ik schrok erg, want deze chef was niet te vertrouwen. Hij vroeg, hoe ik aan die kaarten kwam en zei, dat er meerdere kaarten waren gestolen. Ik heb toen verteld, dat ik tijdens mijn bewakingsuren uit nieuwsgierigheid in de kaartenbakken had geneusd en die kaarten meegenomen had om ze te bekijken. Gelukkig had ik geen kaarten meegenomen van onderduikers enz., want dan was de ramp niet te overzien geweest. De chef zei met lijzige stem: “Jebegrijpt Douma, als ik dit doorgeef aan de Duitsers, dat je er niet best op staat”. Ik gaf dit grif toe en vroeg hem om dit niet door te geven en dat ik spijt van had. Hij nam daar ogenschijnlijk genoegen mee en liet me gaan. Later bleek, dat ik wel geplaatst was op een lijst van onbetrouwbare personen.


De arrestatie

Het was 16 september 1944. Ik had ’s morgens dienst gedaan op station Staatsspoor met een collega uit Friesland. Wij zagen een trein staan met bestemming Leeuwarden. Ik zei tegen mijn collega: “Ik geloof dat het tijd wordt om onder te duiken. Ik heb zo’n gevoel dat het straks mis loopt met ons”. Hij dacht dat het allemaal wel zou meevallen, maar ik zag die trein met leedwezen achterna. Toen wij op het bureau kwamen, ging de deur achter ons op slot en wij mochten niet naar buiten. Kort daarop moesten wij allemaal naar buiten op het plein en er zou appél worden gehouden. Wij stonden netjes in het gelid opgesteld. Plotseling kwamen er van alle kanten Duitsers het plein op, zelfs over de afscheidingsmuur van het plein. Het bleek de Grüne Polizei te zijn. Wij waren spoedig omsingeld en hun wapens waren op ons gericht. Kort daarna verscheen onze chef (de mij bekende) met een officier van de Duitse politie. Hij begon tegen ons te schreeuwen, noemde ons saboteurs en zei dat wij naar Duitsland zouden worden getransporteerd om daar te gaan werken.

Daarna namen zij onze pistolen af en werden we overgebracht naar de Alexander kazerne. Wij mochten daar nog bezoek ontvangen van familie of kennissen. Zo kreeg ik nog bezoek van de familie De Graaf, waar ik als kind aan huis kwam. Zij zouden mijn groeten overbrengen aan thuis en daarna kwam het afscheid. Allemaal niet zo best en wij zaten in grote zorgen. In de loop van de avond kwamen er Duitse legerauto’s waarin wij moesten plaats nemen. Achter in de auto gingen twee zwaar bewapende Duitsers zitten. Zo was er absoluut geen kans om te ontvluchten. De reis duurde enkele uren en uiteindelijk kwamen wij aan in het Dürgangslager kamp Amersfoort.


Het verblijf in Amersfoort

Daar aangekomen, bleek dat er ongeveer 80 politiemensen uit Den Haag en uit Amsterdam waren gearresteerd. We werden in barakken ondergebracht. Ons geld en bezittingen werden afgenomen, alsmede onze uniformen. We kregen oude gedragen kleding en een kampnummer. Dat nummer weet ik niet meer. De eerste dag dat wij er waren, was er een beschieting van Engelse vliegtuigen. Daarbij viel één dode en meerdere gewonden. Het was een slecht begin en de vooruitzichten waren niet best te noemen. Dagelijks waren er urenlange appéls en we zagen ook dat er Joden werden mishandeld.

Het eten was niet slecht, meestal stamppot en we kregen soms een pakket van het Rode Kruis. Alles bij elkaar en later vergeleken bij de kampen in Duitsland was Amersfoort nog een hemel op aarde. Dagelijks zagen wij, dat Engelse jagers het station van Amersfoort beschoten. De spoorwegstaking was inmiddels uitgebroken. Ondanks die staking, vertrokken er bijna wekelijks nog transporten naar Duitsland. In het begin van oktober kwam er een groot transport in het kamp. Het bleken ongeveer 700 Puttenaren te zijn, die bij een razzia waren gearresteerd. Het is bekend, dat van de Puttenaren maar weinig zijn teruggekomen. Ik leerde hen later in de kampen van Duitsland kennen als vrome mensen. Wij hebben daar vaak met elkaar gezongen en dat was altijd zeer bemoedigend. Ik dacht dan wel aan Paulus en Silas, die tijdens gevangenschap ook zongen in de nacht.

Toen we nog maar enkele dagen in Amersfoort waren, hoorden wij kanongebulder van de naderende bevrijding. Ook zagen wij de enorme hoeveelheid vliegtuigen en zweefvliegtuigen, die de luchtlandingen bij Arnhem uitvoerden. Wij waren er stellig van overtuigd, dat de bevrijding nabij was. Op zekere dag zagen wij, dat de Duitsers bezig waren om te vertrekken, misschien was dat wel de zogenaamde “dolle dinsdag”. In het kamp werd al gesproken over de overname door het Rode Kruis en wij als politiemensen, zouden zorgen voor een ordelijk verloop.

Maar helaas, mogelijk al de volgende dag waren de Duitsers terug en was er direct een urenlang appél. Enkele dagen later werd bekend gemaakt dat er op 11 oktober een transport naar Duitsland plaats zou vinden. De bestemming werd niet bekend gemaakt. Op de dag van vertrek was het een grote drukte. We moesten aantreden en kregen een pakketje brood uitgereikt, waar we drie dagen mee rond moesten komen. Het geld dat ze ons bij binnenkomst in het kamp hadden afgenomen, kregen we niet terug.

Zo vertrokken we op 11 oktober in lange rijen naar het station van Amersfoort. Onderweg zagen burgers nog kans om aan sommigen wat voedsel en fruit te geven. Onder zware bewaking moesten we instappen in een lange trein, die op het perron klaar stond. Het wqas een personentrein en in iedere wagon gingen enkele Duitsers mee voor begeleiding. De deuren gingen op slot en de trein, getrokken door een stoomlocomotief, vertrok. Omdat het lange trein was, reed de trein slechts langzaam. We waren nog maar net buiten Amersfoort, toen we hoorden schieten. Later hoorden wij, dat sommige mensen op het perron kans gezien hadden om stiekem de deuren van één wagon los te maken. Toen de trein dus nog maar net reed, sprongen de gevangenen aan alle kanten uit de treinwagon. Ze lieten zich direct in de berm rollen, zodat waarschijnlijk niemand ernstig werd geraakt. De trein stopte niet, maar reed door en kwam langzaam op hogere snelheid. Ontsnappen was niet meer mogelijk.


De treinreis

De trein begon aan een lange reis en stopte af en toe, omdat er luchtalarm werd gegeven. De Duitse bewakers verlieten de trein en sloten de deuren zorgvuldig af. Op ruime afstand gingen ze in het veld liggen, met hun wapens op de trein gericht. Er kwamen wel Engelse jachtvliegtuigen laag over de trein, maar er werd niet geschoten. Wist men soms dat het een gevangenen transport was? Waarschijnlijk wel, want geen enkele locomotief was meer veilig voor vliegtuigen. Na het vertrek van de vliegtuigen, ging de trein verder, totdat wij in Apeldoorn aankwamen. Daar was weer luchtalarm en het vorige werd herhaald. We bleven de hele dag in Apeldoorn staan. Bij ons in de coupé was een jonge man uit Apeldoorn. Plotseling zag hij zijn vader langs de weg fietsen. De man raakte helemaal overstuur en werd uit onze coupé verwijderd.

Tegen de avond kwamen een paar bewakers buiten de trein, naar onze coupé en wij moesten uitstappen. We werden naar de voorkant van de trein gebracht en moesten op de locomotief plaats nemen. Die vertrok daarna naar het station om kolen te bunkeren. Enkelen van ons moesten de kolen van een wagon overscheppen op de locomotief. Ik moest de machinist en de stoker helpen net het stoken van het vuur. De bemanning van de locomotief was Duits personeel. Inmiddels was het donker geworden en er kwam opnieuw luchtalarm. Alle lampen gingen uit en ik zag nog maar één Duitser naast de locomotief staan. We stonden vlak naast een brede vaart. Aan de andere kant liep de weg en ik zag aan de overkant de verlichte ramen van huizen. Ik heb toen sterk overwogen om van de locomotief te springen, de vaart over te zwemmen en zo de overkant te bereiken, waar de huizen uitnodigend wachten. Uiteindelijk durfde ik de sprong naar de vrijheid niet te wagen!!!

Toen de locomotief met kolen was geladen, reden we terug naar de trein en de reis werd die nacht voortgezet. De volgende dag kwamen we in Duitsland aan en later in de stad Hamburg. Toen zagen we de eerste sporen van de bombardementen. Vandaar vertrokken we en na enkele uren kwamen wij aan in Neuengamme.


Neuengamme

Die aankomst zal ik nooit vergeten. We zagen een groot complex van gebouwen en barakken, met daar omheen wachttorens en rondom prikkeldraad, waarop de volgens borden, hoogspanning stond. Bij de ingang was een grote stenen poort, met het opschrift in het Duits: Arbeid maakt vrij. Daar zagen wij ook de naam van het kamp Neuengamme. Verder zagen we gevangene n rondlopen in zebrapakjes en met kale hoofden. We schrokken van dat alles heel erg en en lieten de moed zakken dat alles nog goed zou aflopen. Onder geschreeuw van de Duitsers moesten we de trein verlaten en ons op een groot plein opstellen.

Daarna werden we een groot gebouw binnen gejaagd, waar we ons allemaal geheel naakt moesten uitkleden. Dat was volgens de Duitsers nodig voor de “ontluizing”. Andere gevangenen, die daar reeds waren, moesten ons vervolgens kaalknippen en daarna moesten we plaatsnemen op een groot blok. Daar werden de schaamharen afgeschoren, wat door stompe messen voor sommigen nog een bloedige aangelegenheid was.

Ik heb nimmer van mijn leven zo iets mens onterends gezien en ondergaan. Er waren uit Putten, vaders met drie zonen, die dit ook moesten ondergaan. Het waren vreselijke taferelen. Daarna moesten we naar een ander gebouw waar we een douche zouden krijgen. Dat gebeurde in werkelijkheid ook, maar voor hetzelfde hadden ze ons toen ook kunnen vergassen, zonder dat we daar erg in gehad zouden hebben. Zo is het met de meeste joden ook gegaan. Na het douchen kregen we een jasje en een broek en daarop werd het gevangen nummer genaaid: H 56325.

Zo begon een lange en bange lijdensweg, waarvan we het einde niet wisten en konden vermoeden. We werden daarna in de barakken ondergebracht en kregen met vier man de beschikking over een stapelbed. Later werden iets ruimer ingedeeld met twee man in een bed. Het was een bed zonder dekens en het lukte eerst niet zo best om te slapen. De eerste dagen verliepen met veel appéls op het grote plein, waar duizenden in het gelid stonden opgesteld. Het tellen duurde uren, omdat het blijkbaar nooit klopte. Het eten bestond hoofdzakelijk uit koolsoep en soms in de schil gekookte zeer slechte aardappelen.

Iedere dag in het kamp begon met muziek door het muziekkorps van gevangenen. Ze maakten een rondgang door het kamp en speelden daarna bij de poort wanneer de werk commando’s het kamp verlieten om te gaan werken. Eén van de marsen die iedere dag werd gespeeld was de bekende mars “Alte Kameraden”. Toen ik na de bevrijding pas thuis was, hoorde ik het muziekkorps van Sexbierum die mars spelen. Het was alsof ik door een slang werd gebeten. Ik sloeg op de vlucht en viel ergens in de modder. Totaal overstuur kwam ik bij mem (waar ik verkering mee had) aan. Tot op heden kan ik die mars nog niet aanhoren.

Na enige dagen werden we ingedeeld in werkcommando’s en werden per trein overgebracht naar Wedel, een klein plaatsje dicht bij Hamburg. We werden ondergebracht in barakken en moesten in de omgeving van Hamburg tankvallen graven. Iedere morgen vertrokken we met een trein naar het werk, waar we onder bewaking van gestrafte Duitse mariniers moesten werken. Deze bewakers maakten het ons niet lastig en op het werk probeerden we zo langzaam mogelijk te weken, om krachten te sparen. Na enige tijd werd de bewaking vervangen door jonge fanatieke SS-ers. Op het werk vonden mishandelingen plaats en al spoedig overleden de eerste gevangenen. Een oude man uit Putten werd dood geslagen omdat hij op het werk -zichtbaar- voor zijn pannetje koolsoep bad. Hij was eerst gewaarschuwd, dat het bidden niet was toegestaan, maar hij wilde het niet laten. In het kamp werden sommigen een hele dag aan een paal vastgebonden, omdat zij een boterham of ander eten hadden gestolen van een medegevangenen. Daarna werden zij bij het avond appél opgehangen. Zo regen zich de dagen aaneen, waarbij er altijd wel iets gebeurde. Enkele gevangenen werden dood geschoten toen ze probeerden om te ontvluchten. Met enkele collega’s hadden wij ook een vluchtplan bedacht. Wanneer wij eerst maar buiten het kamp zouden zijn, dan wilden wij uit een boerenschuur kleding stelen en daarna proberen om in de richting van Nederland te verdwijnen. We ontdekten echter, dat we aan de oostkant van de rivier de Elbe verbleven en dat het moeilijk zou gelukken om aan de overkant te komen. Zoals ik al schreef vonden we vaak bemoediging in het samen zingen van psalmen en geestelijke liederen. Dat gebeurde wanneer we ’s avonds in de barak waren. We sliepen in een laag stro, zonder dekens en met de kleren aan tegen de kou.

We zongen o.a. “Maar de Heer zal uitkomst geven” en andere liederen, waardoor er toch een stille rust in het hart ontstond. Soms kwamen de bewakers binnen om naar bijbels e.d. te zoeken, want de bijbel was een verboden boek. Bij het aantreffen van een bijbel, had men kans op een aantal stokslagen. Men kan het zich niet voorstellen dat zulke dingen konden gebeuren.

Tegen het einde van het jaar werden we overgebracht naar de stad Hamburg, waar we puin moesten ruimen en soms niet ontplofte bommen moesten verwijderen. Het kwam enkele keren voor dat zo’n blindganger ontplofte en dat daarbij doden vielen. In de gebombardeerde huizen vonden we ook nog wel eens eetbare dingen. Zo vond ik een paar gedroogde stokvissen. Het was een delicatesse en je kon er lang van genieten.

De winter was inmiddels ingevallen en daardoor was het vaak niet mogelijk om te werken. Dat kwam ons ten goede, want het eten was zeer slecht en weinig. Velen stierven dan ook aan dysenterie en uitputting. Daarna kwamen de kerstdagen in zicht. Ik heb daarover in de familiekrant geschreven. We konden het kerstfeest vieren, zonder dat er geslagen werd en er werd wittebrood en honing uitgereikt. We noemden het “brood uit de hemel”. Door alle gevangenen werd in diverse talen gezongen en het “Stille nacht” zal ik nooit weer vergeten. Tijdens de kerstdagen beleef ik nog altijd dat wonder.

Vanwege de bombardementen moesten we vele uren in de schuilkelders doorbrengen. Het gebouw, waarin we verbleven, was ook zwaar beschadigd en alle ruiten waren kapot. Daardoor was het erg koud. Verwarming was er niet. De kleren waren kapot en andere kregen we niet. Daardoor hadden we veel luizen en dat leverde veel ongemak op.

Begin februari werden we teruggebracht naar Neuengamme. Tijdens ons verblijf werden daar een groot aantal gevangenen opgehangen, waarbij het muziekkorps weer Alte Kameraden speelde. Ik ontmoette daar in die dagen ook een zekere Alkema uit Harlingen, die mij vertelde, dat Rients Westra uit Sexbierum was overleden. Na de bevrijding heb ik dit bericht aan de familie kunnen doorgeven. Zo ben ik na de bevrijding ook bij familieleden van omgekomen gevangenen uit Putten en andere plaatsen geweest om de groeten over te brengen en om te vertellen, wanneer en hoe ze waren overleden.


Weer op transport

Eind februari zouden we weer op transport worden gesteld naar Hamburg. Maar eerst gebeurde er iets onwaarschijnlijks. We moesten op appél verschijnen en een Duitse officier zei dat de gevangenen die minder wogen dan 50 kilo naar een sanatorium zouden gaan om aan te sterken. We dachten dat de Duitsers bang werden voor de naderende bevrijding, want zoveel mededogen met de gevangenen was voor ons onbegrijpelijk. Het sanatorium was in Bergen Belsen zei hij en we konden ons bij hem melden om gewogen te worden. Omdat ik vermoedde dat ik ook geen 50 kilo meer woog, melde ik mij ook bij hem. Ik bleek 51 kilo te wegen en ik kreeg een schop om weer te verdwijnen. Er kwamen heel wat mensen apart te staan en tegen de avond werden ze in auto’s, voorzien van het rode kruis, het kamp uitgereden. Wat hadden we graag mee gewild en velen hadden de tranen in de ogen. Later na de bevrijding, werd bekend, dat het gehele ziekentransport naar Bergen Belsen was vergast. Niemand heeft het overleefd. Wat gaat er dan wat door je heen. Ik had immers zo mijn best gedaan om mee te mogen.

De volgende dag werden we met een grote groep gevangenen op transport gesteld naar Hamburg. We werden in veewagens gepropt en de deuren gingen op slot. Er was geen eten, drinken en geen andere zitplaats dan de vloer van de wagon. Verder was er nog een ton voor onze behoeften, maar die was voor velen niet te bereiken. Dat was temeer erg, omdat men bijna allemaal diarree had of dysenterie. Ik had daar ook last van en deed uiteindelijk mijn behoefte in een oude muts. Die gooide ik daarna door een opening naar buiten. Op dat moment stond de trein stil. Ik hoorde buiten een pets…en daarna hevig vloeken van een Duitser. Het was duidelijk dat de muts met inhoud hem had geraakt. De deur van de wagon werd geopend en er verscheen een woedende bewaker, die wilde weten wie die zwijnerij had veroorzaakt. Hij kwam niet in de wagon, maar noteerde mijn kampnummer H56325. Daarna zei hij, dat ik bij aankomst in Hamburg zou worden doodgeschoten. Het zag er dus slecht voor mij uit en de verdere reis werd onder grote spanning en angst voortgezet. Maar opnieuw zou ik aan de dood ontsnappen.

Toen we in Hamburg aankwamen, stopte de trein voor een luchtaanval. Er volgde een hevig bombardement en onze wagon slingerde heen en weer op de rails. Meerdere scherven sloegen door de wagen en de stukken hout vlogen rond. Het was een oorverdovend lawaai van explosies, gegil en geschreeuw en ik begreep dat dit bombardement veel slachtoffers zou maken.

Uiteindelijk werd het stil en de deur van de wagon werd geopend. Het was buiten een grote ravage. De locomotief en meerdere wagens stonden recht overeind en overal was brand. We moesten uit de wagon komen en toen bleek, dat er maar enkele gewonden waren. De Duitser die mijn nummer had genoteerd was gedood. Hij lag onder de wagon. Zijn dood betekende voor mij de redding van mijn leven. Het bleek dat velen buiten onze wagon om het leven waren gekomen. De overlevenden werden bij elkaar gedreven en lopend werden we naar een oud gebouw gebracht.

De volgende dag overleden er weer veel gevangenen, omdat het eten zeer schaars werd en de honger en de koude deden de rest. Niemand was eigenlijk nog in staat om te werken en op zekere dag verschenen er Duitse officieren, die de gevangenen gingen keuren. Velen werden zogenaamd afgekeurd en zouden op transport gesteld worden naar Bergen Belsen, het eerder genoemde sanatorium. Weer mocht ik niet mee en ook van deze gevangenen is niemand terug gekomen. Ze werden bij aankomst in Bergen Belsen regelrecht vergast.


Sandbostel

In de maand april kwamen de Duitse officieren opnieuw terug. Zonder keuring werden we allemaal in veewagens geladen om naar het sanatorium te worden gebracht. Er heerste een blijde stemming, want we gingen de vrijheid tegemoet dachten wij. Dat bleek heel anders uit te pakken. De trein was al vaak gestopt en bleef uiteindelijk helemaal stil staan. We wisten niet wat er aan de hand was. Zo heeft de trein daar een paar dagen gestaan en in de wagon heerste een niet te beschrijven ellende. Meerdere gevangenen overleden, maar werden niet uit de wagon gehaald. Toen de deur uiteindelijk werd geopend vielen de lijken naar buiten. We moesten uitstappen en plaats nemen in kipkarren. Die brachten ons naar een oud barakkenkamp. Het bleek een oud krijgsgevangenkamp te zijn en het lag op de luneburgerheide. De trein had Bergen Belsen niet meer kunnen bereiken, omdat dat kamp inmiddels was bevrijd. Opnieuw was mijn leven gespaard. Dat was reeds de derde keer. Maar er wachten nog meer moeilijke dagen.


De bevrijding nadert

De laatste weken zijn er nog veel gevangenen overleden. Er brak namelijk tyfus uit en die maakte veel slachtoffers. De bewakers lieten zich niet meer zien in het kamp uit vrees voor besmetting, mar de lijken konden niet meer worden verwijderd. Ze werden in de gangen opgestapeld. Wanneer je naar buiten wilde, moest je over de lijken heen klimmen. Met veel moeite kroop ik ook op een middag naar buiten. Je kon het kanon gebulder van de naderende bevrijders duidelijk horen. Ik hen toen geprobeerd om gras te eten, want er was helemaal geen eten en drinken meer. Vlakbij mij lag een Joegoslaaf op sterven. Hij droeg nog een dikke overjas. Ik heb net zo lang gewacht totdat hij was overleden. Hoewel het mij erg tegen stond heb ik zijn jas uitgedaan en die aangetrokken. Ik had het vreselijk koud en bijna geen kleren aan mijn lijf. Het was een kwestie van overleven en we waren volledig afgestompt. Het zag er naar uit dat over enkele dagen niemand meer in leven zou zijn. Enkele Russen zagen kans het kamp te verlaten en het front te bereiken. Men heeft toen een speciale eenheid op het kamp afgestuurd. Ik herinner mij, dat grote tanks het kamp naderden en dwars door het prikkeldraad heen reden. Ik zag, dat de soldaten de wachttorens opgingen en de bewakers gevangen namen. Een gezicht om nooit te vergeten!!! De overlevenden waren echter zo zwak, dat we niet in staat waren om hen juichend te begroeten. Wel hebben we geprobeerd met elkaar te zingen: geloofd zij God met diepst ontzag! Hij zou bij het naderen van de dood, volkomen uitkomst geven.

Toen we in dit kamp aankwamen, waren er ongeveer 400 Nederlanders. Uiteindelijk heeft het Rode Kruis maar 14 man kunnen evacueren en naar Nederland terug gebracht. Van deze 14 man is later nog een foto gemaakt, die nog in mijn bezit is.

Onze bevrijders wisten niet wat zij zagen en er werd druk gefilmd. Duitse vrouwen uit de omgeving werden gedwongen om de lijken weg te slepen naar massa graven. Er waren veel vrouwen die bij dit alles flauw vielen, maar de soldaten hadden geen medelijden en zij moesten het lugubere werk voortzetten.


Eindelijk terug naar huis

De volgende dag werden we per ambulance van het Engelse leger naar een veldhospitaal vervoerd. ( Dat was het ziekenhuis Rothenburg in Bremen). De uitgemergelde lichamen van ons werden daar gewassen. We kregen een schone pyjama en we werden in heerlijke bedden gelegd met witte lakens. Daarna werd het nacht om me heen. De datum van de bevrijding was 29 april 1945. Ik heb toen enkele dagen buiten bewustzijn geleefd, Toen ik weer wakker werd, was het 2 mei. Ik zag zusters in witte kleding lopen en ik rook schone witte lakens en ik voelde een merkwaardige rust over mij komen. Ik heb toen gedacht: “ik ben in de hemel”. Ik kan het mij nooit mooier voorstellen. We werden liefdevol verpleegd. Ik vroeg aan de verpleegster wat dag en datum het was. Het bleek 2 mei te zijn, de verjaardag van mijn vriendin, nu jullie mem en oma. Dat betekende nog meer blijdschap en dankbaarheid. Mijn gewicht was ongeveer 40 kilo en ik was erg zwak, maar door de goede zorgen knapte ik vrij vlug op. Ik werd daarna overgebracht naar een ander hospitaal in Seedorf. Daar kwam een paar later een colonne van het Nederlandse Rode Kruis aan. Wat een vreugde bij het zien van de Nederlandse vlag. Die vlag was het uiteindelijke teken van de bevrijding. Vandaar nog steeds de Nederlandse vlag in de vorm van een wimpel in de tuin van onze woning. Steeds opnieuw geniet ik weer van dat gezicht.

We gingen dezelfde avond met 14 man in de ambulances op weg naar huis. De nacht brachten we door in een boerderij. De boerin moest voor ons een goede maaltijd bereiden en we sliepen in goede bedden. Die Duitsers wisten niet wat ze zagen en de boerin stopte ons de volgende dag nog van alles toe. We kwamen die dag in Nijmegen aan, het was de dertigste mei. Er volgde een onderzoek door een dokter en we kregen andere kleren aan, die wel wat te groot bleken te zijn. Verder kregen we chocolade en sigaretten. De volgende dag 31 mei zag ik het ouderlijk huis in Pietersbierum terug. Het Nederlandse Rode Kruis bracht me in de ambulance thuis. In Sexbierum waren we even gestopt om te vragen of mijn ouders nog in Pietersbierum woonden. Daar zagen de mannen, waaronder oom Jelte, met grote verbazing naar de Rode Kruis auto en ik denk dat ze mij met moeite herkenden. Spoedig daarna stopten we voor ons huis in Pieterbierum. Wat een gebeurtenis, eindelijk weer thuis!!!


Na de thuiskomst

Ze hadden na de bevrijding, thuis bericht van mij gekregen, dat ik nog in leven was. Die brief was nog in het kamp geschreven door een kapitein uit Nijmegen, op 13 mei 1945, vanuit Sandbostel bij Bremervörde. Die brief komt nog als bijlage bij dit verhaal. Onder aan de brief wordt vermeld, dat Rients Westra overleden was. Mem – oma, wekte bij die Westra. Op een morgen toen zij daar werkte, kwam zijn broer Harm Westra met dominee Van Urk bij vrouw Westra. Zij vertelden dat er van mij bericht uit het kamp was, maar dat haar man was overleden. Blijdschap voor de één en rouw voor de ander.

Mijn thuiskomst veroorzaakte een hevige opschudding. Mijn broers en zusters weten dat vast nog wel. Ook mem/oma kwam dezelfde avond, maar vond niet een knappe jongen terug. Erg vermagerd en met en kaal hoofd. Vlak na de bevrijding woog ik ongeveer 40 kilo, maar ik was al flink aangekomen. Ik geloof nog wel dat het een akelig gezicht moet zijn geweest. Die nacht sliep ik in de bedstee en Pake Doede kwam die nacht vaak naar mij kijken. Beppe Fenne was ook erg bezorgd en het deed mij allemaal zeer goed.

De daarop volgende maanden kon ik langzaam weer aansterken. De dokter wilde mij eigenlijk naar het ziekenhuis hebben, maar dat wilde ik beslist niet. Ik kreeg ook nog een aanbieding van de stichting 40-45, om een half jaar naar Zwitserland te gaan, voor volledig herstel. Ook dat wilde ik niet, want ik was veel te blij om weer thuis te zijn. Er waren ook nog veel problemen met mijn maag en darmen. Ik kreeg hoofdzakelijk kindermeel, melk en eieren. Veel werd er voor mij thuis gebracht, want sommige dingen waren nog schaars. Ook werd ik nog geplaagd door schurft, een ziekte die velen na de bevrijding opliepen en die vreselijke jeuk veroorzaakte.

Vaak zat ik buiten te genieten van de zon en de vrijheid, maar ik was vaak erg stil en in mezelf gekeerd. De gedachten gingen nog steeds naar die donkere dagen. Mem/oma zocht mij bijna iedere dag op en bracht dan wat lekkers mee. Zij heeft de eerste maanden niet veel aan mij gehad, want ik was erg afwezig.

Enkele dagen na mijn thuiskomst, kwam de burgemeester van Putten en een ambtenaar, met een groot aantal foto’s van vermiste Puttenaren. Ik herkende er verschillende mensen van, maar ik kon niet vertellen wat er met hen is gebeurd. Enkele maanden later ben ik een paar dagen in Putten geweest, bij families, waarvan ik wel wat bijzonderheden kon vertellen. Toen ik terugliep naar de trein, kwamen er nog mensen mij achterna met foto’s van vermisten. Wat een leed en verdriet in dat dorp, want van de 700 weggevoerden, waren maar enkele teruggekomen.

Enige weken na mijn thuiskomst, kon ik voor het eerst weer naar de kerk in Sexbierum. Door mijn arrestatie in Den Haag, had ik geen belijdenis gedaan. Er werd een gemakkelijke stoel in de kerk gezet, want op een bank kon ik niet zitten. Het was jammer dat mem/oma de dienst niet kon bijwonen. Zij had keelontsteking en mocht het bed niet uit. Dominee Van Urk sprak na de preek over tekst uit 2 Corinthiërs 1 vers 10: “Die ons uit zo groten dood verlost heeft, en nog verlost; op welken wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal”. (Die ons heeft gered en ons opnieuw zal redden uit eenzelfde doodsgevaar. Op hem hebben we onze hoop gevestigd: hij zal ons altijd redden). Het was voor mij zeer indrukwekkend en ik gaf met grote blijdschap mijn ja-woord. Het geloof had mij in veel moeilijke ogenblikken gesteund en gesterkt om vol te houden.

Zo kwam na een periode van rust, de tijd dat ik weer kon werken in Den Haag. Dat was in het voorjaar van 1946. Ik mocht de eerste maanden maar halve dagen dienst doen, maar uiteindelijk kon ik weer volledig aan de slag. Eén keer in de vier weken was ik vrij om naar huis te gaan en onze verkering was zodanig opgebloeid, dat we besloten om op 17 oktober 1946 te trouwen. Dat werd een hoogtij dag, want drie collega’s (ook terug gekeerd uit het kamp) en mijn vroegere baas, waren als getuigen die dag aanwezig. Ze waren in uniform en vormden bij het gemeentehuis een erehaag. We hebben er nog foto’s van. Na de trouwdienst in de kerk, werd als slotlied het Wilhelmus gezongen. ’s Avonds hadden we een prachtige bruiloft. De collega’s hadden zelf wat liederen gedicht. Zij zongen o.a.:
In het wrede Neuengamme
Dacht hij heel veel aan zijn Siets
En aan dikke boterhammen
Maar van beide kreeg hij niets.


Besluit

Zo is het nog een heel verhaal geworden. Veel heb ik nog moeten weglaten en soms kostte het wel enige moeite bij zoveel herinneringen aan nare dingen. Maar ik meende dat het goed zou zijn om dit alles voor de kinderen en kleinkinderen op te schrijven. Jullie zullen misschien beter begrijpen, dat ik altijd bijzonder op rust was gesteld en een hekel had aan drukte. Gelukkig heb ik 40 jaar lang mijn werk in goede gezondheid kunnen doen, zonder grote tegenslagen in ons gezin. Nu de rust van pensioen al weer ruim 10 jaar is geleden, kan ik nog dagelijks van de vrijheid genieten en van de natuur. We hopen nog vele jaren van die vrijheid te genieten en kijken daarbij naar de nadere datum van 17 oktober 1996, de dag waarop wij ons 50 jarig huwelijk hopen te vieren.

Ik wil besluiten met de opmerking: tot hiertoe heeft de Here ons geholpen en ik denk aan het lied: Dankt, dankt nu allen God
Met blijde feestgezangen.
Van Hem is ’s heuglijk lot
Het heil dat wij ontvangen.
Hij ziet in Christus ons
Altijd genadig aan.
En heeft ons dag aan dag
Met goedheid overlaan.


Franeker, 29 april 1995.
50 jaar na de bevrijding
F. Douma


Bijlagen:
1 De brief die ze kort na de bevrijding thuis ontvingen als eerste teken van leven. Onderaan de brief wordt het overlijden van Rients Westra genoemd.
2 Meer dan 1 jaar na de bevrijding kwam de ambtenaar van de gemeente Den Haag, dit papieren zakje brengen met mijn horloge en ring. Die dingen waren mij afgenomen bij binnenkomst in Neuengamme. Het zakje vermeldt mijn Häftl-nr. 56325. Deze spullen werden na de bevrijding in Neuengamme aangetroffen en kwamen uiteindelijk in Den Haag terecht.
3 Deze kaart was op 30 mei nog uit Seedorf verzonden en werd ontvangen, toen ik al weer thuis was.
4 Voorkant van de Medical Card. Patiëntenkaart.
5 Voorkant registratiekaart.
6 Achterkant van Field Medical Card. Hierop staan verschillende diagnoses.
7 Achterkant van de registratiekaart. De kaart werd op 31 mei in Nijmegen afgeschreven. Dat was ook de datum van mijn thuiskomst. De kaart werd nog getekend door dr. Cuperus. Op deze kaart werden bonkaarten aan mij verstrekt.

Verhaal insturen

U dient ingelogd te zijn om een verhaal in te sturen.

Inloggen

Foto insturen

U dient ingelogd te zijn om een foto in te sturen.

Inloggen

Wijzigingen doorgeven

U dient ingelogd te zijn om een wijziging/opmerking te versturen.

Inloggen