Cornelis Petrus Botman

Powered by vir2biz

Persoonsgegevens

VoornaamCornelis Petrus
InitialenC.P.
AchternaamBotman
GeslachtMan
Geboren20-01-1924 in Hoorn.
Overleden14-02-1945 in Neuengamme.

Gearresteerd doorLandwacht
Reden arrestatieonderduiker
Gearresteerd inSpanbroek

 

Neuengamme

Aangekomen op09-09-1944
VervoermiddelTrein
Vanaf plaatsAmersfoort
Kampnummer49133

Detentiegeschiedenis

Amersfoort, vanaf 1944-08-17 tot 1944-09-06

Geleden ziektes

Plaats: Hamburg-Neuengamme, Hausdeich 60
Periode: tot 1945-02-14
 In de bewaard gebleven dodenboeken van Neuengamme (de registratie van overleden gevangenen) staan verschillende ziekten waaraan gevangenen zijn gestorven: enteritis, tuberculose, dysenterie, hartfalen, enz. Dat is verhullend. De ware doodsoorzaak zijn vrijwel altijd de abominabele omstandigheden in het kamp geweest. Bovendien zijn de gegevens volledig onbetrouwbaar. Vaak werd er in de registratie maar wat opgeschreven. (Bron: Nederlanders in Neuengamme)

Verblijf in welke kampen

Neuengamme
Husum-Schwesing, Schwesing (Engelsburg)
Periode: 1945-01-22, tot deze datum

Literatuur

Gedenkboeken OGS
boek 34

Ingezonden verhalen over Cornelis Petrus Botman

Verhaal door J. Botman - 27-05-2020

Cees Botman
Geboren te Hoorn, 20-01-1924, overleden in Neuengamme 14-02-1945 op 21 jarige leeftijd.
Zoon van C.A. Botman en M.S. de Roeper.

Cees Botman was student toen de oorlog uitbrak. In 1942 kreeg hij een oproep om zich te melden voor tewerkstelling in Duitsland. Hij besloot zich niet te melden en vond via een bevriende relatie gastvrij onderdak bij de familie Mul te Opmeer aan de Spanbroekerweg, te Spanbroek. Hij weigerde gehoor te geven aan de oproep voor de 'Arbeitseinsatz' die gold voor jongens vanaf zestien jaar. Cees was niet de enige die bij de familie Mul was ondergedoken. Met hem zat ook de 20-jarige Piet Scholten ( Hoogwoud 10 april 1921/ 08-12-1944 Leipzig).

In de vroege morgen van 9 augustus 1944 vielen landwachters en leden van de Feldgendarmerie huize Mul binnen. Een aantal landwachters was al in het huis binnengedrongen toen iedereen wakker werd gebeld. De veldwachters stonden voor de deur. Het kostte weinig moeite om de jongens te vinden. Bij fouillering werden valse identiteitskaarten aangetroffen, en zat in één van de jaszakken een persoonlijke brief met de werkelijke naam van één van de jongens. Th. Mul werd direct aan de tand gevoeld over de onderduikers.

Omdat Cees en Piet over valse paspoorten beschikten, sommeerde de landwacht hen mee naar het toenmalige politiebureau op de kaasmarkt in Hoorn te gaan. Tijd om zich te kleden kregen de jongens niet. In hun nachtkleding met daaroverheen een colbertje werden ze op de fiets afgevoerd. Mul moest ook mee.
Wie de jongens had verraden is onbekend.

Via via kreeg de familie Botman te horen dat Cees op transport zou gaan naar Amsterdam. Op 10 augustus 1944 vroeg in de ochtend zouden Cees en Piet worden afgevoerd per trein. Niemand mocht op het perron komen. Zijn jongste broertje A.C. “Toon” wist nog de prijs van het perronkaartje 5 cent. Zowel zijn broers als hij lagen nog in bed. De gevangenen gingen achterom het station in de laatste wagon. Daarin werden ze afgeschermd van de buitenwereld op transport gezet.

Mul werd langer op het politiebureau hardhandig verhoord. De landwacht wilde weten tot welke ondergrondse verzetsorganisatie Mul hoorde. Wie de jonge onderduikers van valse paspoorten had voorzien. Hij zweeg en werd gedurende zijn verblijf op de kaasmarkt zwaar mishandeld totdat hij met een vrachtwagen werd overgebracht naar de gevangenis in Amsterdam. Ook hij zou op transport gaan, ware het niet dat een administratieve fout hem het leven redde zodat hij na enkele weken naar huis kon gaan.

Uiteen

In het beruchte Huis van bewaring aan de Weteringsschans, aan de Kleine Gartmanplantsoen 14, moest Cees wachten op zijn transport naar kamp Amersfoort. De jongen waarmee hij werd opgepakt, Piet, werd naar het strafkamp Amersfoort gebracht. Vandaar werd hij naar Leipzig gebracht. Daar moest hij werken in de steengroeven van het kamp. Het waren de barre omstandigheden in het werkkamp waar Piet uiteindelijk aan zou bezwijken. Vijf maanden na zijn arrestatie, op 8 december 1944, overleed hij aan een longontsteking.


Kamp Amersfoort

31-08-1944, laatste brief Cees uit kamp Amersfoort:

“Lieve allemaal,

Eindelijk eens een brief van mij, misschien wel op een eigenaardige manier maar daar moeten jullie maar niet aan denken. Ik hoop ook dat hij aangekomen is. Ik heb de laatste tijd al veel meegemaakt op de Weteringsschans en in Amersfoort. Maar me blijve mezelve hoor, geen centje pijn, katholiek en Nederlander. Het is hier een rotzooi, vlooien, luizen, honger en schoften. Maar dat vertel ik thuis wel onder de kerstboom. Er komen hier wekelijks ongeveer 500 jongens en mannen binnen. Piet mag ook wel uitkijken, iedereen nemen ze, papieren of niet. Nu moet ik de volgende week naar Duitsland. Mijn vriend Jan moet vandaag al, dus die ben ik helaas ook al weer kwijt.

Soms dwingen ze hier de jongens om bij de SS Frontarbeiter te gaan, dan weiger ik natuurlijk en krijg ik zes maanden kampstraf. Maar dan blijf je tenminste in Nederland. Doe Bergsma de groeten, want daar heb ik met een zwager (ome Toon) in de lik gezeten. Steun vooral het Rode Kruis want dat verricht wonderen. Hoogstwaarschijnlijk hebben jullie het transportbrief gekregen. Doe daar nog een jas en deken bij en verstop in de kleren levensmiddelen, tabak en geld en nog wat warme kleren. Niet te groot pak maken hoor, want ik heb al heel wat te dragen. Ik ben nog ziek geweest, ook dysenterie, 40 graden koorts en elke dag even goed een paar uur op appèl staan. Ik heb nieuwe vrienden uit Nijmegen. Katholiek en zijn vader is directeur van de krant. Daar ging ik samen mee naar Duitsland. Nou ik eindig hoor en ik schrijf nog wel een . Leve ….. worteltje boven!

Cees”


Hauptlager KZ Neuengamme

Gevangene nummer 49133.
Cees Kwam terecht in strafkamp Neuengamme. Direct kreeg hij een streepjespak aangemeten en zijn hoofd werd kaal geschoren. Neuengamme was een werkkamp net buiten Hamburg. Op diverse locaties werden de gevangenen ingezet om puin af te voeren van de gebombardeerde stad Hamburg, blindgangers op te ruimen, spoorlijnen en verdedigingswerken aan te leggen, et cetera. Zwaar werk waar vele ondervoede gevangenen onder gebukt gingen. Het waren harde omstandigheden waarin iedereen probeerde te overleven.

Cees werd overgeplaatst naar het kamp Husum Schwesing. Daar moest hij met vele andere Hollanders werken aan de verdedigingslinie Friesenwall. Een verdedigingslinie dat midden in een moerasgebied lag en waarbij iedereen in het zompige water onder erbarmelijke omstandigheden stond te werken.

,,Husum was een van de verschrikkelijkste kampen. Je verliest je waardigheid. Ik was daar geen mens maar een stuk instrument. Je werkt of je bent dood. Een tussenweg was er niet.” Van de 6000 Nederlanders in Neuengamme overleven er maar 600, aldus een overlever van het kamp Wim Aloserij.’


Den Bosch 8 juni 1945

Geachte heer Cornelis Antonius Botman,

Heden ontving ik uw schrijven en deel u het volgende mede. Op 22 januari waren wij tezamen met nog ongeveer 400 zieken van alle nationaliteiten in een ziekenbarak in Neuengamme. Uw zoon Cees lag daar ook, maar wij lagen een paar bedden van elkaar en als Hollanders zijnde, trok ons dit toch, zodat ik elk avond bij hem ging praten. Hij was toen zeer opgeruimd en vertelde dat hij evenals ik n het kamp te Amersfoort had gezeten en dat hij in september op transport was gesteld naar het kamp Neuengamme, op ongeveer 20 km van Hamburg. In dit kamp heeft hij slechts kort vertoefd en is toen weer op transport gezonden naar het werkkamp Husum (Sleeswijk Holstein), dit ligt ongeveer 100 km ten noorden van Hamburg. In dit kamp, waar ik ook geweest ben, moeste we tankvallen graven, 2.5 meter diep en daar de grondmoerassig was, stonden we bijna altijd in het water te werken. In november werd uw zoon ziek, doordat hij zijn voeten had stukgelopen en is toen in december naar Neuengamme teruggezonden. Als zieken werden wij iets beter behandeld en kwamen toen in een barak van 100 man te liggen.

Van deze wonden was hij spoedig genezen, doch erg zwak, wat met mij ook het geval was. Wij zijn toen op 22 januari in de barak bij elkaar gekomen. Daar heeft uw zoon het aan zijn longen gekregen en later nog dysenterie. Ik heb hem, zoveel het mij mogelijk was, met raad en daad bijgestaan. Hij heeft mij dan ook verteld, dat hij, zoals ik rooms-katholiek was, zodat ik hem nog heb aangeraden God te bidden, om ons te sterken in deze moeilijke tijd.

Zo is dan uw zoon op 12 februari zeer zacht en kalm overleden. Hij heeft zeer veel over zijn ouders gesproken, dat u beide toen zoveel goeds voor hem gedaan hebt en hij zo’n prettige jeugd had gehad.

Moge dit een troost zijn voor u en bidden wij God, dat hij uw lieven zoon reeds een plaats in zijn schoonen hemel heeft mogen geven. Ik condoleer u met het verlies van uw zoon Cees en wij kunnen ons uw diepe smart zo goed indenken, daar ook wij een zoon door oorlogsgeweld hebben verloren. Wij hopen dat God u allen zal sterken in deze zware tijd. Was het reizen niet zo moeilijk, dan zou ik u dit persoonlijk medegedeeld hebben, doch mocht u nog eens iets willen weten en komt u deze kant uit, dan is u altijd welkom. Als u een foto van Cees heeft, houd ik mij daarvoor aanbevolen.

Met vriendelijke groeten,

w.g. Jacques Verhees


Jacques Verhees was in tegenstelling tot Cees wel een verzetsman. Op 14-10-1944 kwam J.J.A. Verhees (05-08-1897 Den Bosch, kamp nr. 56599) vanuit kamp Amersfoort in Neuengamme aan. Verhees had in het verzet gezeten in Winterswijk. In Den Bosch had hij een stempelbedrijf waarmee bonkaarten, ID kaarten en reispassen werden vervalst. Hij behoorde tot de groep “tante Riek.” Tante Riek heette in het echt Helena Theodora Kuipers-Rietberg. Riek was het brein achter de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. Ze werd verraden door Miep Oranje. Ook Riek eindigde in een concentratiekamp. Via kamp Vught kwam ze op 7 september 1944 in Ravensbrück.

Na de oorlog kwam iemand van een naoorlogse Stichting 40-45 bij de familie Botman aan de Oude Doelenkade 37 die verklaarde dat Cees tegen betaling postuum geregistreerd kon worden als verzetsstrijder en zodoende als held voor volk en vaderland gestorven was. Bovendien zou de familie in aanmerking komen voor een eventuele oorlogsuitkering of opname het verzetsregister van gevallenen.

Er ging in Hoorn een circulaire rond met een service: Er was een organisatie die voor 1.500 gulden de lijken opgroeven en repatrieerden. Toen bekenden van de familie zich hieraan waagden, bleken de kisten bij aankomst vol stenen te liggen. De vader van Cees, C.A. Botman, zag af van de operatie.

Cees bleef onvindbaar en achter in een massagraf.

Op 23 juli 1946 verschenen Botman senior en zijn vrouw met een akte van het Informatiebureau van het Rode Kruis die door een ambtenaar van de burgerlijke stand in Hamburg was vrijgegeven, waaruit bleek dat hun zijn Cornelis “Cees” Petrus Botman op 14 februari 1945 om 15.45 uur was overleden in Hamburg Neuengamme.



Geschreven door J. Botman, auteur van het boek: De intriges van de gebroeders Sassen (Aspekt 2013).

Bron: Oorlogsgravenstichting

Verhaal insturen

U dient ingelogd te zijn om een verhaal in te sturen.

Inloggen

Foto insturen

U dient ingelogd te zijn om een foto in te sturen.

Inloggen

Wijzigingen doorgeven

U dient ingelogd te zijn om een wijziging/opmerking te versturen.

Inloggen