Johannes Lodewijk Van Apeldoorn

Powered by vir2biz

Persoonsgegevens

VoornaamJohannes Lodewijk
InitialenJ.L.
AchternaamVan Apeldoorn
GeslachtMan
Geboren26-01-1882 in Wierden.
Overleden22-08-1952 in Heerde.

Reden arrestatieverzet
Gearresteerd inBoornbergum

 

Neuengamme

Aangekomen op18-03-1945
Vanaf plaatsGroningen / (Leeuwarden)
Kampnummer77453
Plaats bevrijdingonbekend
Overleden voor terugkeernee
In ziekenhuis na bevrijdingnee
Datum bevrijding1945-05
Teruggekeerdja
Teruggekeerd naarBoornbergum(pastorie)

Detentiegeschiedenis

Leeuwarden, HvB, tot 1945-03-15

Verblijf in welke kampen

Neuengamme
Periode: 1945-03 tot 1945-04
Hannover-Stöcken
Periode: 1945-04
Mieste, zie ook Gardelegen
Periode: 1945-04

Ingezonden verhalen over Johannes Lodewijk Van Apeldoorn

Verhaal door Caspar van Apeldoorn - 01-12-2020

‘Het was geen kleinigheid’

In Boornbergum was het bevrijdingsfeest al losgebarsten, maar thuis bij Ate van Apeldoorn zat zijn moeder nog in zak en as. Zijn vader, de geliefde dominee van het dorp, was opgepakt tijdens een razzia en nog altijd niet teruggekeerd van god-mocht-weten-welk transport. Totdat er op 19 mei bericht kwam: ‘God zij dank. Ik leef. Was in Hamburg, Neuengamme.’

Door Maartje den Breejen

Ate van Apeldoorn (86) herinnert zich twee specifieke dagen uit de oorlogsjaren nog tot in detail. Op 22 november, 1944 werd zijn vader, een vrijzinnige dominee, meegenomen tijdens een razzia in het Friese Boornbergum en omstreken. Op 20 mei 1945 keerde hij gebroken weer terug uit kamp Neuengamme. Hij wist tijdens een laatste transport te ontsnappen uit een trein. Het is een wonder dat hij alle ontberingen heeft overleefd. Hij woog nog maar 35 kilo, had tuberculose en hoge koorts. Maar ik wist al die tijd zeker: hij komt terug. Wij wisten niets van zijn ontberingen in de concentratiekampen.’

Ates vader, Johan Lodewijk van Apeldoorn (1882-1952), was een predikant van de gecombineerde gemeente Boornbergum-Kortehemmen in Friesland. Hij was een aimabele en belezen man die vijf talen sprak, van tuinieren hield en bovendien prachtig kon preken. De mensen waren dol op hun dominee. Totdat hij in de vroege jaren twintig van de vorige eeuw scheidde van zijn Zwitserse vrouw met wie hij vier zoons had en kort daarop hertrouwde met de bij hem inwonende dorpsonderwijzeres Aafke Zijlstra. Dat was een groot schandaal en in de jaren kort na de scheiding preekte hij dan ook vaak voor bijna lege kerken.
Maar hij maakte een miraculeuze comeback. Vooral dankzij de inzet van zijn nieuwe vrouw. Boerendochter Aafke zette zich actief en met groot enthousiasme in voor het dorpsleven en stichtte een meisjesvereniging en een vrouwenvereniging. De dominee zelf sloot zich samen met andere predikanten uit de omgeving aan bij de Arbeidersgemeenschap van de Woodbrookers (AG), een vereniging waar christendom en socialisme bij elkaar kwamen. Ze werden de ‘rooie dominees’ genoemd en hielden zich bezig met wat wij nu vormingswerk zouden noemen.

Van Apeldoorn had als een van de eersten van het dorp een auto, een T-Ford, en daarin reed hij stad en land af om geld in te zamelen voor de bouw van een verenigingsgebouw, waar cursussen en ontmoetingen konden plaatsvinden. Als er een grote stofwolk op de zandweg richting Boerestreek opsteeg, was het duidelijk: Johan van Apeldoorn is in aantocht. Samen met werkloze arbeiders kregen de dominees het voor elkaar om in 1937 Het Gebouw te laten verrijzen in Kortehemmen. In dialoog werd in dat onderkomen gezocht naar de mogelijkheid van een betere, rechtvaardiger en gelukkiger wereld.
Inmiddels stroomde de kerk weer vol als Van Apeldoorn op de kansel stond. Hij kreeg met Aafke nog vijf kinderen, waarvan er twee vroegtijdig overleden. Toen de oorlog uitbrak was Ate met 7 jaar de oudste. Hij had nog twee veel jongere zusjes, die zich bijna niets van die tijd herinneren. Ate weet nog goed dat hij op het balkon van de pastorie stond en vliegtuigen naar beneden werden gehaald door de Duitsers. ‘Mijn vader zei: daar gaat er weer eentje.’
Hij weet ook nog dat zijn vader eind 1940 heel erg van slag was. Maar niet waardoor dat kwam. Inmiddels weet hij dat de Duitsers in die tijd beslag legden op het verenigingsgebouw van de Woodbrookers. Alle archieven en huisraad moest Van Apeldoorn overhandigen aan de Sicherheitsdienst. In 1941 werd het verenigingsgebouw in gebruik genomen als herstellingsoord door Winterhulp, een door de Duitsers opgezette hulverleningsorganisatie voor bijvoorbeeld (ongehuwde) vrouwen die in verwachting waren van Duitse soldaten.

De rooie dominees gingen in verzet tegen de bezetters en organiseerden voorlichtingsavonden. Van Apeldoorn stond als predikant al direct bij de Duitsers in een kwaad daglicht. Hij maakte in zijn preken geen geheim van zijn anti-Duitse gezindheid. En dat terwijl zijn vier jaar jongere broer Bert in dezelfde tijd juist aansluiting zocht bij de nazi’s. Bert van Apeldoorn, rechtshistoricus en hoogleraar rechten aan de Universiteit van Amsterdam werd zelfs voor korte duur prominent lid van de NSB. In 1942 werd hij tot een van de adviseurs van NSB-leider A.A. Mussert benoemd. Johan verbrak in de oorlog het contact met zijn broer en sprak hem nooit meer.

In 1942 namen de dominee en zijn vrouw vier joodse onderduikers uit Rotterdam in huis: Abraham Pinheiro, koopman in diamant en zijn vrouw Jansje en diens dochter Suzanna met haar echtgenoot James Brandel, leraar wiskunde en Handelswetenschappen. ‘Ik vond het de normaalste zaak van de wereld dat we alles deelden. We aten altijd samen. Aan het begin van de week werd de boter verdeeld en kreeg ieder een potje’, vertelt Ate. ‘Ik had me wel aan een aantal regels te houden. Zo mocht ik absoluut geen vriendjes mee naar huis nemen. Als er een volwassene op bezoek kwam gingen de onderduikers via een luik onder een tapijt naar de enorme kelder onder de meisjeskamer. Maar anders hadden beide stellen ieder een eigen kamer aan de voorkant. Mijn moeder haalde groenten uit de moestuin en de rest van het eten bij verschillende adressen, zodat niet opviel dat ze grote hoeveelheden voorraad aanlegde in huis. Bovendien had ze zichzelf aangemeld als vrijwilliger voor de Winterdienst om zo de indruk te wekken dat ze Duitsgezind was. Ze liep met een collectebus rond en als mensen iets gaven kregen ze een lichtgevend molentje. Niemand in het dorp wist dat we onderduikers hadden. Men was dan ook stomverbaasd toen na de bevrijding opeens vier mensen tevoorschijn kwamen.’

Dominee van Apeldoorn was ook betrokken bij andere vormen van verzet. Via hem ging geld naar verzetsorganisaties en hij bemiddelde bij het aanschaffen van vervalste papieren. Hij was in het bezit van een typemachine en vervalste daarmee persoonsbewijzen.

Op 14 november 1944, hielden de Duitsers een groots opgezette razzia in de omgeving van Boornbergum. In het veld werden de sloten met honden afgespeurd, omdat nogal wat onderduikers zich bij naderend gevaar verscholen in de droge sloten. Zo’n dertig jonge mannen van tussen de 20 en 25 jaar werden opgepakt voor de Arbeidsdienst. De Duitse soldaten waren ook gericht op zoek naar de dominee. Ate: ‘Ik stond op straat te kijken en zag dat ze meerdere malen de pastorie doorzochten op zoek naar mijn vader. Die stond gewoon in werkkleding in de tuin, maar dat wisten de Duitsers niet. Ze zagen hem aan voor de tuinman. Maar ze wisten wel zeker dat de dominee ergens in de pastorie moest zijn. Pas toen de soldaten dreigden om door de vloer van de pastorie heen te schieten, waar de onderduikers zich op dat moment ophielden, meldde mijn vader zich. Hij ging niet zomaar mee, maar uitte openlijk kritiek op de gang van zaken.’ Op beschuldiging van hulp aan onderduikers en het oproepen van anti-Duitse gezindheid via preken en gesprekken werd hij opgepakt en afgevoerd in een busje. De onderduikers in zijn huis werden niet gevonden. ‘Ik dacht’, zegt Ate, ‘die is morgen weer terug.’

Drie maanden verbleef Van Apeldoorn in de gevangenis van Leeuwarden, waar hij als voormalig longpatiënt ernstig verzwakte. ‘Mijn moeder fietste elke week naar de gevangenis met eten en briefjes en wist de bewakers te verleiden om dat naar binnen te smokkelen voor mijn vader. Hij schreef op zijn beurt briefjes terug, ook aan mij. Die heb ik nog. Hij beschrijft daarin hoe de gevangenis eruitziet en wat ze eten. En veel briefjes staan vol met codetaal. Hij schreef aan mij bijvoorbeeld: ‘Hoe gaat het met je Frans?’ Ik kreeg Franse les van James, een van de onderduikers. Als ik die vraag positief beantwoordde, wist mijn vader dat het goed met de onderduikers ging.’
Maar toen Aafke voor de zoveelste keer bij de gevangenispoort stond, kreeg ze te horen dat haar man was overgeplaatst. Dat is alles wat ze te horen kreeg. Ze doet overal navraag, maar krijgt bij elke instantie nul op rekest. Bij het Huis van Bewaring in Leeuwarden zeggen ze dat hij naar Groningen is. In Groningen zeggen ze dat hij naar Duitsland is. Een kennis beweert dat er een grote kans is dat hij is verplaatst naar Amersfoort. Ze begint een dagboek om haar zorgen van zich af te schrijven, gericht aan haar geliefde, die ze Joosje noemt. Op 25 maart schrijft ze:
‘Een (buurman) van Annie is naar het Scholtenshuis geweest, heeft met de hoogste chef gesproken en deze had gezegd (nadat jouw rapport was opgehaald en voorgelezen), waarom is u geen week eerder gekomen, dan was hij bestimmt vrijgelaten en ook niet eens een hoge boete. Toevallig waren in dat transport een paar plaatsen onbezet, waar jij bij geplaatst bent. Waarschijnlijk ben je in Willemshaven, daar zijn vele Nederlanders, misschien helpen die jou wat.’

In werkelijkheid wordt Van Apeldoorn eind maart 1945 eerst naar het Burmaniahuis in Leeuwarden gebracht. Hij moet daar vijf uur tegen de muur staan en wordt bewaakt door een hond die bij de minste of geringste beweging in zijn arm of been bijt. Uit een radio klinkt dansmuziek. Dan wordt hij met anderen gevangenen aan elkaar geboeid op een open vrachtwagen gegooid en naar Groningen vervoerd. Daar moet hij weer uren tegen een muur staan. De volgende ochtend wordt hij met de laatste groep gevangenen vanuit Groningen naar kamp Neuengamme bij Hamburg gedeporteerd. De reis duurt drie dagen.


Heeft hij zelf aan de wieg gestaan van een werkkamp dat verbroedering en verdieping als oogmerk had, nu komt hij terecht in een werkkamp waar als motto geldt: vernietigen door arbeid. De mensen in de kampen, afkomstig uit zo'n 28 landen, zijn veelal krijgsgevangenen, gijzelaars, verzetsstrijders, Joden, zigeuners, homoseksuelen en Jehova's getuigen. Van Apeldoorn is een van de oudste gevangenen. Zijn hoofd wordt kaalgeschoren. Hij moet zijn kleding afgeven en wordt in lompen gestoken. Hij moet een plaatje met kampnummer 77453 om zijn nek hangen. De gevangenen krijgen dagelijks 1 snee brood, 1 beker water, en een blik soep van koolrapen of aardappelen, die ze met twee of drie anderen moeten delen. Ze slapen met 2 man op een strozak.

Vanuit Neuengamme wordt hij tewerkgesteld in een van de grotere industriële buitenkampen van Neuengamme: Hannover-Stöcken. De gevangenen van dit buitenkamp werken in een afgescheiden deel van de accufabriek die naderhand de VARTA-fabriek is geworden. De geproduceerde accu’s zijn vooral bestemd voor militaire vaar- en voertuigen. De gevangenen worden zonder enige vorm van bescherming blootgesteld aan de grote hoeveelheden lood en zwavelzuur, die bij de fabricage van accu’s worden verwerkt. En omdat ze daardoor ziek worden, verlangt de leiding van het bedrijf van de SS dat de gevangenen voortdurend worden vervangen. Eens per maand wordt hiertoe een transport georganiseerd. Als de gevangenen weigeren te vertrekken en in de trein te stappen wordt met een mitrailleur in de barakken geschoten.

Op 5 mei is de dominee nog niet terug. Aafke, die door haar man liefkozend Fienke wordt genoemd, schrijft in haar dagboek:
‘Het hele dorp is weer een vlaggenzee. Ditmaal heb ik een witte bloem op. Wanneer krijg ik een levensteken van jou? Wanneer zie ik je. Gauw, nu moet het komen. 5 mei, de vredesdag en wij beleven het niet samen.’

Ondertussen druppelen via de radio, kranten en overlevenden, steeds meer berichten binnen over de verschrikkingen in de kampen. Aafke gaat langs bij alle officiële instanties in de omgeving, ze belt iedereen die haar ook maar een klein beetje informatie kan geven. Ze noteert: ‘We meenden een spoor van jou te hebben in Halberstadt en daarom gingen we daar heen. Maar het levert niets op.’
Ten einde raad zet ze een advertentie in het Groningsche Dagblad met de vraag om opsporing van het transport van 17 maart 1945. Na weer een dag zoeken met een vriendin komt ze ’s avonds laat thuis, alle dorpsgenoten vragen of ze nieuws heeft.

Tegen het eind van de oorlog doen de nazi’s er alles aan om elk spoor van kamp Neuengamme uit te wissen. De dominee is met 35 andere gevangenen op transport gezet vanuit het buitenkamp. De gevangenen worden in de trein gedreven en iedereen moet mee, dood of levend. Ze moeten naar een ander kamp, maar de trein komt stil te staan op een station bij Hannover in de buurt. Er wordt over de trein heen geschoten. Aan de ene kant liggen de Amerikanen, aan de andere kant de Russen. De gevangenen morrelen aan de deuren van de treinwagon en krijgen die op wonderbaarlijke wijze open. Ze rollen eruit. Samen met goo 11 Fransen vlucht Van Apeldoorn naar een ruïne in een bos. De trein rijdt die nacht nog door en alle gevangenen worden in een schuur in de buurt van Gardelegen gejaagd, die met benzine worden overgoten en in brand gestoken.

Dagen achtereen houdt de gevluchte groep zich in leven met brandnetels en paardenbloemen, maar dat is niet genoeg. Ate: ‘Mijn vader wordt door de Fransen vooruitgestuurd om polshoogte te nemen, omdat hij Duits sprak. Maar terugkeren naar het bos om verslag te doen lukte hem niet, het hele gebied rondom Hannover is afgezet door de Amerikanen. Hij meldt zich bij een ziekenhuis in Hannover. Hij weegt nog maar 35 kilo, heeft veertig graden koorts en tuberculose. En hij heeft een gat in zijn hand. Hij had in het concentratiekamp de gewoonte om zich ’s nachts te ontluizen in de wc’s. Dat mocht niet. Daarom sloeg een van de bewakers hem met een koppelriem op zijn hand. De wond heelde niet in verband met zijn slechte conditie. In het ziekenhuis wordt hij enigszins opgelapt. Daarna wordt hij in huis genomen door een Duitse postbode, die hem verzorgt. Later zal mijn vader vol lof over deze man zijn.’

Van Apeldoorn zoekt contact met een aantal jongens die in Duitsland in een fabriek tewerkgesteld zijn. Die regelen een auto en ze vertrekken samen. Langs de weg liggen overal lege jerrycans, die door de Amerikanen zijn weggegooid als ze hun tank hebben gevuld, en waarin vaak nog een bodempje benzine zit. Zo sprokkelen ze brandstof bij elkaar en kunnen ze weer een paar kilometers door een volledig verwoest Duitsland afleggen. In drie dagen rijden ze naar Maastricht.’

Op 12 mei mag hij op briefpapier van het Rode Kruis in niet meer dan 25 woorden een bericht aan zijn vrouw schrijven. Hij schrijft:
‘Fien, God zij dank, ik leef. Nog enige tijd hier. Was in Hamburg, concentratiekamp. Heb hier nu goed. Jo’
Zijn vrouw krijgt het bericht 19 mei, 1945.

Op 20 mei, 1945 bereikt Van Apeldoorn – lichamelijk gebroken – om zeven uur ’s avonds Drachten. Hij zoekt contact met iemand in Boornbergum die een auto kan regelen om hem op te halen. Als hij in zijn dorp aan komt, staan beide muziekkorpsen voor de pastorie. De vlag is op de kerktoren gehesen. Van de deur van de pastorie tot aan het aangrenzende dorp De Wilgen staan de mensen in kolommen langs de weg. Mensen vliegen de dominee om de hals. Bijna niemand kan zijn tranen bedwingen.

‘Maandenlang moet mijn vader herstellen, zegt Ate. ‘Wij logeren elders, zegt Ate, zodat alle aandacht naar mijn vader kan gaan. Een aantal dagen na zijn terugkeer schrijft hij me in een brief beknopt wat hij heeft meegemaakt. Hij besluit de brief met de zin:

‘Jongen, wat ben ik blij dat ik thuis ben, ’t was geen kleinigheid.’

Bron: Oorlogsgravenstichting

Verhaal insturen

U dient ingelogd te zijn om een verhaal in te sturen.

Inloggen

Foto insturen

U dient ingelogd te zijn om een foto in te sturen.

Inloggen

Wijzigingen doorgeven

U dient ingelogd te zijn om een wijziging/opmerking te versturen.

Inloggen